de leien waren nooit helemaal schoon, niemand bezat een eigen griffel, uit een bakje stompen grabbelde elkeen wat van zijn gading was, de boeken hingen rommelig in hun omslagen, met bladen geel, en donkerder vochtvlekken,-de kleine Lea vond niets heerlijker dan in die kast naar boeken te zoeken en de deuren zover mogelijk achter zich dicht te trekken,-er was ruimte genoeg, er kon zelfs een kind in opgesloten worden, die dan wel onder de onderste plank kruipen en bukken moest-door de spleet viel alleen wat licht, maar overigens was het duister en in het duister hing de duffe reuk van vocht en ouderdom, die de kleine Lea zonder weten heerlijk vond. Al wat in de half-vergane boekjes stond te lezen, en wat ze maar half begreep, scheen in het duister van de kast als beelden en visioenen rond te zweven-gestalten uitermate vaag: Korach verzinkend in de grond, Elisa, de profeet, van zijn zetel tuimelend, Elia opvarend in vurige wagen, woorden die verbeeldingen als nevelen in haar verwekten, namen, en vooral synagoge-melodieën, het donker van de kast was er vol van,-ook bloedige, angstige schrikbeelden, van Joden-vervolgingen in donkere tijden in donkere landen en twee namen, die daarmee verbonden schenen en die ze eens had opgevangen, toen ze vroeg gekomen in de kast de boekjes uitzocht, terwijl de Joodse meester een grote jongen, die afzonderlijk onderricht kreeg, zijn geschiedenisles overhoorde: Pfefferkorn en Reuch-lin, waarvan ze niets anders wist, en waarvan de eerste voor altijd een slechte, de tweede een goede klank behield in haar geheugen.
Ook prettig van de Joodse school was het lange spelen in het veldje achter de synagoge op de zondagmiddagen in de zomer. Daar was het dan heerlijk koel, er groeiden dezelfde bloemen als aan de dijk, waar de kleine Lea vaak rondzwierf, maar waar ze het zondagsmiddags vol rijtuigen wist en kinderwagens en karren en mensen en warrelende stofwolken, snikheet en witbestoven, beslagen als de tong van een ziek kind, tot de eenzame meidoorn dicht bij de Joodse begraafplaats toe. Overal in het stadje was het dan broeiend heet, behalve juist in het naar alle kanten afgesloten veldje, waar ze wel eens een uur achter elkaar bleven, als de oude meester binnen in het lege lokaal in slaap gedommeld was. Dan slopen de grootsten een voor een naar de deur en loerden door het glas of hij nog niet
140