ze 't er wel door gekregen. Suffert, die ze was. Maar morgen liet ze zich niet afschepen. In die eetzaal zette ze geen voet meer. Jammer, dat dit haar nu óók al weer vergald was.
Zo was ze in die gedachten en plannen verdiept, dat ze nauwelijks had gemerkt, dat haar tafelgenoot nog steeds naast haar liep en ze nu al tot haar kamer waren genaderd. Nu moest ze hem waarachtig nog bedanken óók, nou wel-ja, waarom niet? Hij had 't misschien niet zo kwaad gemeend. Zou ze 'm een hand geven? Och ja, maar wél. 'n Beetje bevend stak ze haar hand uit, stamelde zacht 'n bedankje en afscheid.
Maar hij gaf z'n hand niet. Hij boog zich in 't halfdonker naar haar over en zei glimlachend iets dat ze niet dadelijk verstond. Ze stamelde onwillekeurig een 'pardon?' en toen herhaalde hij, wat hij tevoren gezegd had, luider en op een weke vleitoon...
Ditmaal verstond ze het wél. Het bloed bonsde haar gloeiend naar de slapen, de tranen sprongen haar in de ogen. Ze liep hem voorbij, zo snel, dat hij onthutst achteruitstoof en ijlde haar kamer binnen. Zenuwachtig rillend schoof ze de roestige grendel voor de wrakke deur, ruw-onhandig, dat haar de vingers pijn deden. En tegen Sarima, die soezerig-verschrikt oprees uit haar sluimer, stamelde ze met klankloze, schorre stem: 'Je blijft hier, hier in de kamer, je gaat niet de deur uit, niet naar achter.'
't Oude mensje begreep er niets van, maar vond 't best. Als ze maar slapen kon, waar, was haar 't zelfde. Met een grommerig 'baik' Het ze zich weer neer.
En Gerda, hijgend van woede en schaamte, gooide zich gekleed op haar bed, uitschreiend haar teleurstelling en haar spijt, snikkend van verlangen naar Johan, die haar nu gauw zou komen weghalen uit dit ellendige oord vandaan.
126