ineens dat akelige warme bloed vandaan.... Snuiten... in dien grooten, schoonen witten zakdoek.... neen, niet snuiten.... snuiven aan dat fleschje.... neen, niet snuiten en niet snuiven.... hoofd achterover.... zoo maar stil zitten.... plat in het donkere portaaltje.... zoo maar met rug en achterhoofd tegen de onderste treden leunen, beenen wijd uit, neen, hier, een kussen.... juist.... en nu zacht, nu zacht.... Ze tasten langs haar beenen.... hun handen klimmen langs haar armen op, ze drukken vingertoppen overal over haar hoofd....lekker....lekker.... neen, nergens pijn.... neen, dan is er zeker ook niets gebroken.... dan is ze zeker niet dood.... niet aan stukken.... heelemaal heel.... Wat nu weer.... Boter op dien bult.... ah bah.... zoo'n kluit vet in haar haren.... Ja, asjeblieft een beetje eau-de-cologne op den zakdoek.... maar dat vochtige... kleverig-vochtige, dat aan haar vingers plakt... is dat bloed....? Enkel maar water....? En hoe komt het dan zoo kleverig en rood....? Waarom loopt Moeder nu langs haar de trappen op.... God.... Moeder.... Moeder.... Wie huilt daar ineens, wie huilt daar toch zoo.... wie wordt er nu door elkaar geschud? ״Leelijkerd.... leelijke, slechte jongen.... je zusje van de trappen te duwen, ze had wel dood kunnen zijn...." Maar wel neen, moeder.... hij duwde mij niet.... hij deed niets, hij was er niet eens... hij had mij heelemaal vergeten, in den steek gelaten, we speelden niet, het was.... ״Qeef hem maar een flink pak slaag." Waarom roept juffrouw Heilbron dat nu naar boven? Hij deed toch niets.... Waar zat hij dan.... waar komt hij eigenlijk ineens vandaan? Ze kan niet praten, ze is veel te gloeierig en te suf, en de groote zakdoek zit voor haar mond.... ze kan alleen het hoofd naar Moeder keeren, luis
233