cenen stap.... enkel die groote, zware, beklemmende adem, in-ademing, uit-ademing van het leven dat eensklaps in alles is opgestaan.... even tevoren dood, grauwe muren, gordijnen, trappetreden.... Achter haar weet ze den leegen, grauwbeschemer-den zolder breiden.... ze weet hem, ze vat hem in zijn geheel achter haar dichte oogen, ze voelt hem tot in de verste hoeken.... als was hij in haar.... ze voelt den ruigen, grauwen schoorsteenromp, die breed uit den vloer komt en hellende opklimt en smal door het dak steekt, er is een deurtje in de schuinte, dat zit met stijven wervel van buiten dicht.... maar een wervel kan ook wel van binnen open.... O.... en haar maag is ineens als van koud water zwaar.... ze voelt de kasten, de lange, smalle, grauwe deuren.... het zijn wel plankenkasten, maar Iemanden of Ietsen... Ze voelt den donkeren hoek, waar het raampje geen schijnsel brengt.... op een bleek stuk muur zijn vreemd gevormde gele vlekken, spitse, zotte, dolle figuren.... brokken van gezichten, oogen, handen.... en letters, die niemand kent.... Je durft er nauwelijks met je tweeën, laat staan alleen naar kijken.... en overal die adem, één adem van alles te zamen, omdat alles één werd door dat ééne, in dien éénen stap.... Moeder.... Moeder.... Vader.... God! Help Moeder.... help Vader.... help.... het komt naar haar toe.... het stapt, het draaft, de planken bonzen.... het kwam... en ze gleed van de tree.... doet dat botsen en bonken haar eigen hoofd.... komt er geen eind aan die trap.... moet het zoo blijven.... moet het altijd zoo blijven.... een plof, een schok door alles heen.... een pijn.... en haar hoofd valt op zij.... en stil.... en uit.... en dood..., Moeder.... en wie is dat.... wie is dat.... o het is juffrouw Heilbron.... ah bah.... waar komt
232