DE VOET VAN DEN IJSBERG
De stilte in de klas is van ademloos luisteren zwaar. Je hoort wel telkens den regen buiten tot luider en schriller hagel verspitsen, maar je let er niet op en je kijkt niet, als anders bij zoo iets, elkaar even aan. Er glijdt ook wel eens een voet van de zandige plank en bonst tegen den vloer, maar het stoort je niet, want je voelt en je hoort aan het geluid, dat het juist door die volheid van aandacht bij ongeluk gebeurt. Ze luisteren met ooren en monden naar den meester en al hun oogen gaan met de zijne samen en met den langen stok die uit zijn vuist steekt van en naar de plaat voor het bord. Daar heeft zich, door meesters vertellen, een wereld vol wonderbaarlijk leven opengevouwen.... de schemer-blauwe donkerspiegelende ijsgetorenten kaatsen van voor de klas hun kilten naar je uit, je voelt hun reusachtige hoogten en grootten op je wegen, als stond je ervoor, als stond je eronder en de ijsberen, met hun schuddende koppen, waaruit de roode tongen hangen, sluwe oogen, traag en log in hun witte vacht, gluipend uit spleten, loerend achter harde, gladde vlakken om, die maken je schier bang.... een ijzig-koude, groene zee breidt zich breed-golvend naar achter uit, tot aan den horizon.... tot diep in de bleeke schijnselen van wat aan den hemel uitstraalt als een reuzenwiel, uitwiekt als vlerken van wondervogels, de machtige vreemde stralingen van het Noorderlicht, die de groene zee en de schemerblauwe ijsgestalten, die de heele hemel vervult van bleekte en bang ontzag.... en zelf sidder je mee in al je leden.
218