gen dat God het juist daarom verbiedt en dat het juist daaromnooit gebeuren zal.... maar kon er iemand komen, hij zou er de tien verloren stammen vinden. Maar anderen zeggen.... ze zitten in China, midden in een groote woestijn.... en nog weer anderen zeggen, ze zijn sinds die dagen zwart geworden, ze zijn negers geworden. Ergens zitten ze, op de aarde, waar het nu duister is en waar het sneeuwt.... ergens midden-in of in een uithoek wachten ze verscholen.... en de vlokken gaan te loor in het donkere water en de tien stammen komen nooit terug, maar o, de schipper is een Sabbathist en ze gaan naar de schuit....! Hier is het huisje van den overzetman en hier ligt de jol.... de schipper sprong af, een doffe domp.... schemerig schommelt zijn. gebogen lijf, zijn stem komt van onder op. De roodgouden lamp doorschijnt de sneeuw dichtbij weinige vlokken fel, ver-af vele vlokken flauw.... grijs het water, het steigertje en levend als van stekelbaarsjes: de sneeuw! Alle geluid stommelt onder tegen het schuitje, alle geluid stommelt hol over donker water, als vogeltjes piepen de riemen.... de roodgouden gloed blijft achter in donker en verkrimpt. Je zou bang kunnen zijn, maar niet met Vader en niet met den schipper.... rondom overal is het donker, boven is het donker, schemerig wemelt de sneeuw, kleeft aan den rand, en ze zitten vlak naast elkaar en ze zeggen geen woord. Je ziet het water flauw, je hoort het duidelijk, en van ginds komt weer een koolland naar ze toe, dat een veld vol slapende witte vlinders lijkt— Glijden doen ze nu, de riemen zwijgen.... klukkend vallen er druppels van af.... waar glijden ze heen...? Daar klinkt iets uit donker omhoog, dat zelf ook donker is, maar de eenige ster aan den hemel ver-
208