Hoe wonderlijk zacht is vanavond het weer; flink stappend, naast Vader, in mantel en jas, hebben ze bijkans het warm gekregen, hun gezichten vooral.... maar daar is wel raad op: je heft naar de wollen vlokken je wangen, je voorhoofd, je neus.... ze vallen.... ze smelten.... kleine, koude, kriebelingetjes, je heele gezicht is nat.
Het is de eerste sneeuw, ze zijn ook maar halfweg Sint Nicolaas en Kerst.... de winkels weten niet recht wat ze zullen: sommige bleven treuzelend achter met letters, harten, suikerbeestjes —, maar andere rollen, met hun wit-bestoven feestbrood, den tijd vooruit, kijk je bij Pol en Bord om beurten de ramen in, — dan beleef je tegelijk twee feestelijkheden, die laat je naast elkander in je klinken, het voorbije Sinterklaas-gevoel zwelt in je.... je keert je om.... en het toekomende kerstgevoel zwelt.... je hoort er wel niet bij, het is een Christen-feest, maar je hebt toch va-cantie, en er is zoon machtige blijdschap, die komt als een wind, als een warmte nog vóór hij er is naar je toe, want je ziet de witte koude, en je weet het nog van verleden jaar. Geen weken gaan zoo gauw als die van Sinterklaas naar Kerst.... het is een sprong, het is een slaap, dan óók springt de tijd.... Figuren van suiker en van chocola, vooral de chocolade poppen, glad en dun met rose en crême-suiker bekleed hebben iets wonderlijks, dat niet aan letters en aan beesten is, ze voelt dat wonderlijke als een klukken binnen in je, wanneer je er naar kijkt.... wat kan het wezen.... zijn ze achter, zijn ze lekkers en speelgoed tegelijk? Zij-zelf hebben thuis het eene kistje van Oom Elie nog bijna vol.... van de gladde, breede chocolade-reepen wordt er eiken Sjabbos na sjoel een verdeeld. Vader streept met een mes heel luch
202