OUDE HERINNERINGEN
z
acht-knetterend dooft de hafdolo-kaars uit in het schoteltje rozijnenwijn.... de gouden schijnselen fladderden over het spiegelend oppervlak en dat werd levend, dat werd diep.... sidderende schokjes, als snikjes, en het was weer uit, nu ligt het plat en glansloos, groezel-bruin en er drijven gele, groene, roode klompjes in, dat zijn de gestoken druppels van de hafdolo-kaars —, die is immers uit groen en rood en geel tezamen gevlochten en brandt dus met drie pitten wild en flikkerend. Het is een fakkel, het is een toorts, waarbij de Sjabbos uitgedragen wordt. De kunme, tinnen specerij-bus reiken ze elkaaar van hand tot hand, elk brengt hem even naar den neus: dat is de laatste vleug van specerij-geur, feest-geur, want daarmee is het uit, de kastdeur kraakt, en weer is het voor een week voorbij.... Maar eerst vischten ze gauw de koude, harde korrels uit het schoteltje, braken met de nagel, voorzichtig om geen glans te schaden, de lauwe, weeke tranen van de kaars — want je kunt er zoo veel moois van maken. Kneden tot ze week zijn, het rood en geel en groen afzonderlijk, draaien in lange, fijn-gebogen punten, rollen als tonnetjes, pletten tot het doorschijnend-dunne bloemeblaadjes lijken, satijnen, want zacht en slap en glanzig van de warme vingers, ribbelig van de toppen: rips-satijn.... en die dan voegen en vouwen en plakken: een tak in groene was, een ruikertje.... als het klaar is, kan het weer over, of kan het weer anders, alles bij elkaar tot een bal ineens geknepen, groen en rood en geel, uitrollen zoo dun als maar
200