kacheltje, maar de deur mag openblijven, zoo is het er winter en zomer al naar je je keert, want er zijn toch nog bloemen ter markt gebracht.... Heeren en mannen loopen in, langs haar heen, en zoo vlakbij lijk je jezelf dan klein en hun praten gaat in de hoogte boven je uit.... het altijd-brandende blauw-gele vlammetje dat uit het ronde, open mondje stulpt, is het warme, lieve van den winkel, al de heeren en de mannen houden er tusschen gesplitste lippen hun sigaar naar toe....
Wie koopt er witte drop.... voor wien laat mijnheer Braat tusschen twee groote open handen den bree-den tintelenden flacon kantelen en dalen van de plank en schudt de ronde blanke plakjes door elkaar dat ze rammelen tegen den zeepbel-helderen wand....? Zij kijkt de mannen en de heeren aan, kijkt Vader aan.... maar Vader heeft juist betaald, heeft pas de sigaren weggeborgen, behalve de eene die, versch-aangestoken, feestgeur spreidt.... het deksel werd er bij den tintelende diamantknop uitgelicht.... hij kantelt, in twee handen, over de bruine toonbank naar haar toe.... de heeren lachen, maken plaats.... praten tegen Vader.... ze komt dichtbij.... ze mag... ze krijgt... ze gleden af... ze reiken totden grootenrondenmond... ze grijpt er een, die koel en week voelt.... ze staat en kijkt.... de heeren lachen.... en ze wordt heelemaal warm en steekt hem ineens in haar mond.... Op straat weer, en aan Vaders hand.... en rondzien, dingen aankijken, menschen aankijken, huizen langs gaan, door menschen aangekeken worden en onder alles door en binnen in het donker van haar mond verborgen, wat niemand weet.... die zachtheid....zoet-heid.... fluweelen streeling.... weekte en geur.... als bloemengeur.... een smaak als bloemen ruiken.... een
183