cn achter haar de doffe, diepe klanken van hun lachen....
O, weg.... weg.... weg.... naar huis.... naar huis.... het blauwe water over naar den wal..״ het riet, de boomen.... huizen.... al het bekende.... maar weg.... weg.... weg.״. Daar.... daar.... zoo vlak bij, waar ze niet kan komen, niet alleen, niet zonder hen, niet anders dan in het schuitje en met weer zoo'n man״״ en honderden zijn hier.... sluipen uit elke deur.״, springen van elke trap.... stijgen boven ieder luik..״ en griezel, gruwel zijn ze allemaal.... Boven de hemel, rondom het water, dicht-bij de wal maar onbereikbaar als uren ver.״, en zij hier gevangen, zij hier hoog boven op de hoogvlakte van planken en deuren, trappen, luiken, schoorsteenpijpen, beesten-kelen.... opgesloten, gevangen.... komt ze ooit hier weg.... zal ze ooit weer daar op den weg, tusschen de boomen loopen? Er gaat een vader met twee meisjes langs, die blijven even staan en jongens kijken uit het riet.... en mogelijk zien ze haar.... zooals zij straks de anderen zag.... Klaas Dral.... en Mein-dert Kools.... en ze benijdde.... nu benijdt ze die daar loopen op den weg en haakt er heen.... En nooit meer.... nooit meer....
Ze stond en keek en vatte alles in het verlangen van
haar oogen.....den vasten weg.... de menschen die
er gaan.... ze zag het alles, nu niet meer..״ er was iets anders.... isiets anders.... Ze dacht... „nooitmeer... nooit meer..,." nu weet ze het.... nu voelt ze het ineens en vast..״ Dus daarom.... daarom mag het niet dat meisjes op de schepen komen....
171