zich uitbreidt, breed en hoog, die gesloten wand, waartegen je bang komt opgekropen.... en die lijkt je van zich af en in het water te willen stooten om dan zelf over je heen te storten.... En omhoog kijken durft ze ook niet.... en niets leeft er meer, en geen vin roert er meer aan haar dan de al zwaarder beenen, de al stroever voeten, al het overige verstold, verstokt.... tot ze dan eindelijk boven het morsig grijs van dien eindeloozen wand luchten en hemelen uitbreken ziet en haar hoofd reikt vrij in de ruimten vooruit, dan haar lijf.... en nu staat ze, verstomd, voor die nieuwe, wonderlijke bovenwereld.... waar alles blinkt en plappert.... en vlak bij haar hangen over de verschansing de mannen, waarvan ze daareven de donkere gezichten zag hoog boven zich onder-tegen het donkere hemelblauw, als volle-manen, als groote chocolade-flikken met blinkend-witten tandenstreep....
Die geweldige, achterover-hellende torens, dikker dan de dikste boom, met klinknagels als groote knoo-pen, in de geelbruine verf verzonken en verstompt, zijn dat de schoorsteen-pijpen.... en wat beduiden die gebogen buizen als kelen van beesten, die daaronder verborgen zitten, brekend uit den planken vloer, wijd-open kelen en wijd-open muilen, waaruit je woest geschreeuw verwacht.... en wat beduidt dit hier, dat daar, en alles met elkaar,...? Duizelingen geven haar flapperwind en flikkerzon, duizelingen zendt haar van onder-op het water.... Ze loopt maar her en der met het jongenstroepje, en niemand weet waar het eerst en wat het liefst, je moogt nog hooger, je kunt veel lager, je kunt ook over de verschansing kijken. Dan voel je hoog en wonderlijk je in die hooge, wonderlijke wereld staan.... die kwam
167