heel laag, rondom in het water, in je enge schuitjes-kuil, je moet je hoofd ver achterover buigen om boven het hooge grijze nog het blauw te zien.... je ziet het ver.... je ziet er tegen-aan een rij van vier, vijf donkere koppen naast elkaar, dat lijken groote chocolade-flikken, in elk de blinkend witte tanden-streep. De trap hangt af, hangt bot tot op het water neer, maar komt nu in het schuitje als een voet vooruitgeschoven.... wat ijlt hij steil omhoog, langs het morsig grijs — dat leek veel klaarder en de trap veel schuiner van den wal — wat ijlt hij steil, wat is hij smal en leuningloos, een ribbeltje.... een rij van streepjes die het blauwsel-blauwe, rag-besluierde in smalle vakjes deelen, geen ander steunsel dan die kale romp, rond als een plompe buik, die nergens houvast biedt....
Zwevende weeë leegten diep in de maag, warme knikkingen door de beenen, klukkingen in de keel en om het hart.... streepje voor streepje als loop je op water.... met niets onder je voeten.... en de beenen al zwaarder.... de leden al stroever.... het lijf al stugger, houterig van bangheid.... achter de jongens aan.... in haar ooren een groot gesuis.... doorplap-perd van den wind en het watergeklots dat al dieper zinkt en slinkt.... en langs haar rug het roepen van hoog boven waar de koppen hangen als chocolade-flikken, als donkere volle-manen onder-tegen het blauw, het roepen naar den roeier die in het schuitje
achterbleef.....en de oogen, troebel, in verschietende
wazigheden vooruit.... star vooruit.... want kijk je links, dan is er het bloote, blauwe water, strak naast je, vlak aan je, waar je kaal tegen aan staat, zonder scheiding of schut.... en kijk je rechts dan is er die grijze romp, die ronde buik, die geen eind heeft, die
166