WAAROM HET NIET MOCHT
O, dat breien, dat breien... Een weerzin grijpt haar als een weeë hand midden in de maag, neemt naar boven en naar onder haar lijf in bezit en slaat het achteruit in haar stoel, haar kleverige heete handen laten af van de ruige, zwarte kous, die tuimelt langs haar beenen omlaag, de losse pen rolt hem na met een zacht getink, de pluizig-gespannen draad trekt de kluwuit haar schoot op den grond, ontspant zich en zinkt als met een zucht ineen. Slap en wee, als werd je heelemaal los en vochtig, voelt de tegenzin, maar woede is anders, die kookt in je hoofd, die is heet en rap.... die stuipt als een bliksem door je lijf.... en ze zit plotseling weer rechtop, de heete handen tusschen haar knieën tezamen. Waar staat dan toch ook geschreven, verdorie, dat alle kousen voor alle jongens van de wereld door hun zusjes moeten worden gebreid.... verdorie.... verdorie.... verdorie.... wie heeft nu eigenlijk die gemeene wet gemaakt ?Ze spelen toch ook maar allemaal baas over je, en ze plakken je in je stoel en duwen je dat rasperige, vieze tuig in je handen.... acht naadjes boven je teekje en als het mooi is, zelfs wel eens tien! En ga je je haasten, dan snijdt de draad in je nagel, en je rilt over je heele lijf als hoorde je zagen scherpen of een rechtgehouden griffel grissen over een lei.... of je begint van het reppen zoo te beven dat je bij het omslaan drie, vier keer de punt van de breipen mist.... en het benauwde zweet breekt je uit.... en de steken glippen tusschen je vingers weg.... knoester je die dan maar weer zoo'n beetje in, dan vallen er knoedels en kuilen, heele
158