dat moeder met de stopnaald in de kous heeft geduwd. Zoo glad en gelijk als moeder breien kan ze niet, probeert ze ook niet, maar lukt het eens vanzelf, dan is ze toch wel blij. Straks zal ze moeten passen, want wat uit het pak kwam was voor haar, een groene japon van tante Roos, die draagt nog wel eens kleur, maar tante Pinnie al jaren niets dan zwart. De gitten zijn eraf getornd, je ziet de slingerpaadjes donker over het verschoten goed, daar hebben ze gezeten en liggen nu zeker in een doos, ginds in het donkere onderhuis. Ze kan niet laten met den vinger eventjes zoo'n slingerpad te volgen.... Die leelijke moeten komen in de nieuwe jurk niet te zien, daar hoeft ze niet bang voor te zijn, zegt juffrouw Content, ze zal er mooie, zwarte tresjes over naaien! Ze was niet bang, ze dacht er niet aan, ze dacht aan de gitten en aan tante Roos en aan de doos in het onderhuis.
Juffrouw Content weet weer nieuwe liedjes ook! Eén heeft ze op een avondje gehoord, het is heel lang, maar ze onthield alleen het eerste couplet:
Als we saam naar Artis gaan,
Fijntjes en net
Een ieder blijft dan vóór ons staan
Dat lijkt ons net.
Men kijkt niet meer, naar Aap of Beer
Maar alleen wij, genieten de eer.
En dat waarom? Omdat we twee zulke groote
[apen zijn?
Neen mis.... omdat we twee patente, dat wij
[twee excellente
Omdat we twee verduiveld sjieke jongens zijn!
Je moet iemand die zingt nooit vlak in het gezicht kijken, dan word je allebei verlegen, en juffrouw Con
147