een abrikoos is het licht, hardheid van geluiden, scherpten van daklijnen smelt het tot mollige rondheden af. De klok slaat elf, ze hooren het en zien het aan, nu ze uit de Sjoel naar buiten komen. Uren stond er de kilte, klam als kelderlucht in kaarsen-schemer om ze heen, verstramde hun gebeente, kroop als pijn bij hun leden op, nu dragen ze hun lijven den zonneschijn in, ze zuigen de warmte, ze drinken de warmte, ze baden zich in het fluweelig licht en Vader wrijft zich de handen om deze mooie Rousj-Hasjono.
Vader blijft bij Moeder, die ook al niet Sjoel-kwam, niet ziek, maar een tikje sukkelig is Moeder en zij moeten, uit Vader en Moeders naam, drie visites gaan maken, ze moeten bij Elie Heilbron, bij juffrouw Krant, bij mijnheer en mevrouw Israëls nog-vele-jaren gaan wenschen. Ze willen eerst naar Heilbron gaan, het is er altijd op Jomtouf gezellig, vol visite, er wordt gelachen, want er zijn geen kleine kinderen, er wordt aldoor gegeten, je krijgt er veel. Het kan eraf, Heilbron is rijk, de deftigste menschen van den Breeden-weg koopen bij hem hun vleesch, en hij woont er ook zelf, tusschen de mooie huizen. Alweer later, de dag is gevorderd tot bij twaalf uur als ze in de zon het huis uit komen. Is het niet, wanneer je je hoofd rechtop draagt tegen een luwen wind, of je er duidelijker de rondheid van voelt? Ze vergat dat vanmorgen te vragen, toen ze met Vader over de Koemarkt liepen naar Sjoel. Ja —, maar het is zoo. En heb jij dat ook, als je iemand strak aankijkt in het voorbijgaan, alsof je dat gezicht van die ander met je meeneemt, terwijl je verder gaat? Neen, je ziet het vlak voor je uit! Neen, je draagt het wel degelijk mee aan je eigen hoofd!
124