men komen samen en gaan weer uiteen en zoeken elkaar weer en vlechten zich om elkaar en vloeien ineen.... donker en zwaar is zijn stem, maar de hare klaar en hoog, die ijlt smachtend als haar oogen naar boven toe, als vroeg ze iets dringend en vurig, maar zoo droevig tegelijk.... zeker weet ze wel al dat ze het toch niet krijgen zal, dat het toch niet gebeuren kan.... Bleek en heel mager haar gezicht onder den zwarten doek, ze is langer dan haar man en houdt de witte handen voor zich op haar rok ineengevouwen. Kijk je naar haar gezicht, dan smelt alles binnen in je tot heet en vochtig medelijden.... want ze is oud.... ze is bleek en blind.... ze heeft zeker geen huis.... maar kijk je naar haar witte, stille handen.... dat is nog erger.... dan scheurt er iets in je.... dan krampen de gloeiende tranen en dat wil ze toch niet, midden tusschen de menschen.... maar ze zou wel willen weten wat dat aan die handen wezen mag.... Hooguit zingt de blinde vrouw boven haar man die kleiner is, die lager zingt, ze zingt met haar oogen naar den hemel, ze zingt tegen den hemel op. O, wat mag ze toch wel zoo smachtend smeeken.... iets dat ze weet dat toch niet gebeuren zal.... kan geen mensch het haar geven.... kan niemand het voor haar doen? Haar man zal wel goed voor haar zorgen, ze is ouder dan hij en ze is blind.... hij leek alleen maar kwaad en norsch.... hij is het niet.... Ze krijgt ineens een kleur dat haar oogen gloeien.... zij keek naar hem, en hij keek naar haar.... en hij lachte.... maar nu kijkt hij van haar weg, en ze beeft ervan.... Het zingen is uit.... maar er blijft geen stilte, geen oogenblik.... de kermis is weer overal, van alle kanten golft het leven, de draaimolen belt dichtbij.... en uit de verte gilt de stoomcaroussel.... de schorre loot
116