98
Ze gevoelde zich in het huis van haar oom niet gelukkig, daar ze dagelijks pijnlijker ervoer in hoevele dingen ze tekortschoot en over hoe weinig ze meepraten kon. Bij de huiselijke bezigheden of bij het maal aan tafel ontmoette ze voorwerpen, waarvan ze het gebruik niet kende en die ze dus niet naar behooren wist te hanteeren en ze bemerkte aan den bijtenden spot, hoe erg dit werd gevonden; ook ontging het haar niet, dat het in haar afwezigheid met anderen werd besproken.
De tante, die haar leeren en onderrichten zou, werd zelden driftig of boos, doch ze toonde haar een koude minachting, die Heieen griefde en pijn deed, soms de witte drift in haar aanjoeg, maar meestentijds haar tot tranen bewoog, en na korten tijd verrichtte ze met dochters en dienstboden het werk weer zelf en werd Heieen niets meer opgedragen. Dan wilde Heieen soms smeeken, dat men haar toch weer eens iets zou toevertrouwen, maar ze durfde niet en berustte in het besef, dat ieder in dat huis haar meerdere was.
Het oude tekort, dat aan gave voorstellingen en begrippen uit de tastbare werkelijkheid, aan den eenen kant voortkomend uit onvoldoende en ondoelmatig onderricht, bij gebrek aan natuurlijke belangstelling, aan den anderen kant uit te weinig vertrouwelijke aanraking met ouderen, werd hier scherper dan ooit opgemerkt, wreeder dan ooit gehoond. Heieen voelde zich als iemand, die buiten zijn wil in een felle feestzaal is gebracht