246
enkele seconde den blik van haar oogen recht en vast in de zijne neergaan, uit een gespannen wil hem in dit moment te bekoren. Doch terwijl ze dat deed, ontgleed haar wil en zelfbedwang, en de blik welke had willen bekoren, zwikte, sloeg om en werd er een, die dringend vroeg om hulp en om gehoor. In de verwarring, die hierop volgde, ontging haar zijn houding, ze bukte het hoofd, de wagen hield stil, trillend en ontdaan stond ze in een donkere straat, een heel eind van haar huis.
Ook hierover verliepen weken, doch ze vergat het niet. In de oogenblikken dat ze het herdacht, leek het haar, alsof hij haar sinds dien dag op een geheimzinnige wijze bestond, en geen enkele maal kwam het in haar op — ondanks al de ervaringen van jaren, de overpeinzingen en voornemens der verloopen weken — dat ook hij haar even goed van een onedele bedoeling had kunnen verdenken. Haar schrik en bezorgdheid leefden op met dit redeloos vertrouwen, omdat ze had gemeend, het in zichzelf ten onder te hebben gebracht.
Ze zag hem echter niet terug, haar hoop en onrustigheid namen voortdurend toe. Het meisje met wie te zamen ze hem had bezocht was in dien tijd verloofd geraakt en verzuimde, dwaas van vreugde, haar colleges, ze danste Heieen op de gangen voorbij, haar oogen vol licht en tinteling, haar mond in een gestadigen lach. Toch benijdde Heieen haar niet. Op een middag hield ze haar