ik niet veel te vroeg was opgestaan, en ineens, door die ruisende donkerte, uit de verte, één zachte klokkeslag tot mij hoorde komen, als een antwoord: het is half vier, en het is 'Loilak'1... en we gaan wandelen, we gaan de velden langs, tussen de grote plassen door, helemaal tot Nieuwersluis!
Verleden en heden... het ratelen van de karretjes - heetten ze daar en toen niet 'korries'? - over de hobbelige straatstenen, het zingend de langslapers beschimpen, de heerlijke frisheid van het zomerland, van het water, door de nacht met koelte en donkerte gereinigd van de ontwijdingen des daags, en al gauw dan de eerste zon, juwelig dauwgefonkel, een mateloze weelde over bloemen en gras
- en de eerste zon kwam toen immers een uur vroeger dan nu! -en nog wat later, door dauwroom en bloemengeur, de verse reuk van de warme bollen, zó uit de oven, die tot de 'Loilak' horen als eieren tot de Paas... ach, de wereld is nuchter geworden, of de heilzame wet die de bakkers de nachtarbeid verbiedt, hadde voor de Luilak een uitzondering gemaakt. En tóch geloof ik, dat we ze in Loos-drecht overal geroken hebben, maar, dat kan ook een geest van geur, een geur van herinnering zijn geweest.
Zeven uur was het toen en de mensen overal op en wij, gedrieën stappend in ferme soldatenmars — want we hebben die twintig kilometer toch ook maar netjes in vier uur soldaat gemaakt! — wij hadden met onze boterhammenzak en blijkbaar vreemden, heel wat bekijks van de vrouwen en mannen die al boenden en schuurden en harkten en wiedden om huis en tuin voor de Pinkster schoon en proper te krijgen.
Zeven uur... maar wij hadden dan ook de loop naar Hilversum en van Hilversum verder naar 's-Graveland al achter de rug, en we hadden de broodzak al half leeggegeten in het gras aan de kant van de weg, tegenover het ruime land, waaruit de dauw begon te wellen
- toen we uittogen was alles nog kurkdroog — doorgloord van
86.
1 Boerenuitspraak van Luilak.