renners in het bijzonder hebt beledigd (slot van 'van het Platteland', dato 6 mei). Tot heden vernam ik echter niets van U. Ik neem aan dat U enige tijd op reis zijt geweest, doch nu U weder thuis zijt verzoek ik U mij te antwoorden en tevens Uwe woorden te herroepen. Indien ik binnen vier dagen geen antwoord heb, ga ik met mijn actie verder. Ik zend U R.E.M.O. en maak U op het ingezonden stukje attent.
En daaronder die fraaie, dubbele naam — die ik helaas moet verzwijgen, omdat de drager zelf ook niet nodig vond hem onder zijn 'Ingezonden'in dat R.E.M.O.-krantje te zetten - die naam als een kaakslag, zonder een aasje 'achting' of 'hoogachting' geserveerd!
Alwederom heb ik niet geantwoord. Uit boosheid? Neen. Uit gebrek aan tijd? Geenszins. Uit balorigheid, wispelturigheid, hoogmoed? Driewerf neen! Eenvoudig uit nieuwsgierigheid. Ik mag een citroen worden — om óók eens de onsterfelijke Kegge na te volgen - als ik weet welke 'actie' de geachte schrijver bedoelen kan en, slechts een vrouw en dus van rechtswege nieuwsgierig zijnde, brand ik van verlangen, om te weten, gelijk het Viooltje van Marie Marx-Koning...12
Hier fronst zich een juridisch gevormd lezer! Heb ik mij misschien inderdaad aan de rensport 'in het algemeen' en aan de renners 'in het bijzonder' - welk een fijne nuanceringen van kwetsbaarheid, de riddertijd waardig! - bezondigd en vergrepen? Al dan niet juridisch lezer, ik antwoord u in een vergelijking...
Verleden week sprak ik toevallig met het hoofd van onze politie over het toenemend aantal gevallen van publieke zedeloosheid op de Gooise hei en zoals mensen zijn, die nu eenmaal altijd 'verklaren' willen, we zochten naar een verklaring van dat betreurenswaardige verschijnsel.
'De mensen werken niet hard genoeg, mevrouw', meende onze inspecteur, 'en daaruit komt de zedeloosheid voort.' Ik weet niet of er renteniersverenigingen bestaan. Maar gesteld van ja, indien nu de
84.