DE KLAS VAN TWAALF
duister van de pasgevallen avond en de enige, die de rommelpot roerde, was de storm zelf.
,,Je denkt toch telkens dat er een echte aankomt in de verte,” meende Peter. ,,En dan is het aldoor weer de wind.”
Stilde1 een vlaag voor het ogenblik, dan werd weer duidelijk de regen hoorbaar, en het schijnsel van de lantaarn buiten voor het huis toverde de platgeslagen regendroppels op de ruiten tot trillende gouden en zilveren lovers om.
,,Tine kan onmogelijk met dit weer uitgaan,” vond Ans. Juist kwam Tine de kamer in.
,,Staan jullie daar met je allen in pikkedonker?”
„We kijken of er geen Sint-Maarten-kinderen komen. Verleden jaar waren er zo veel.”
,,Toen was het ook zulk mooi, zacht weer....”
,,Met sneeuw....”
„Neen, dat is twee jaar geleden, dat het ineens op Sint-Maarten sneeuwen ging.”
„Toen was je hier nog niet.”
„Neen, want ik ben hier nu juist zowat een jaar.” Plotseling een heftige windstoot, die kleine Keesje deed terugdeinzen van het raam.
„Het is een orkaan,” fluisterde Ans, die dol was op grote, mooie woorden.
„Wel ja, waarom geen cycloon?” lachte Peter haar uit. „Je kunt er onmogelijk door, Tine.”
„O, jawel. Buiten is het altijd minder erg, dan het binnen lijkt.”
„Vader zal je wel brengen!” bemoedigde Keesje.
„Dan moet vader alleen terug!”
„O, maar vader is een grote sterke man. Hij komt je ook weer halen, vast.”
„Is het een heuse partij, Tine? Met taartjes?”
„Ik wou dat ik er bij mocht zijn, ik vind Door Siegenbeek zo aardig,” zuchtte Peter.
„Door Siegenbeek,” bestrafte Ans. ,,J ij mag wel juf-
232