ZUSTERVETE
te jong ook voor jou.... jij bent je leeftijd jaren vooruit....” dat had Hillegonda gezegd en o, het had zo vleiend geklonken. Ze hoorde de stem, nu ze in zich de woorden herhaalde: „Jij bent je leeftijd jaren vooruit....” Maar de stem was schril en geaffecteerd, dat kon ze nooit vergeten, ofschoon ze zich razend zou hebben gemaakt als een ander het had durven zeggen.... en Door’s stem, die ze nu al bijna veertien dagen niet had gehoord.... was zacht en vol en diep.
En ineens liet ze zich gaan.... als muren wankelden ze in haar en vielen om, haar trots.... haar hoge, harde voornemens, haar vaste afspraak met Hillegonda, dat ze nooit nooit tegenover „dat kind” de minste zou zijn.... en alles wat ze zichzelf omtrent Hillegonda had wijs gemaakt, en wat ze diep in haar hart eigenlijk nooit had kunnen geloven.... Ze begreep het nu wel: juist omdat ze zelf maar half in Hillegonda geloofde, omdat ze zich altijd moest opschroeven tot een onverdeelde bewondering, die ze niet voelde, tot de vleierij die Hillegonda eiste, in ruil voor haar vererende vriendschap, juist daarom had de minste critiek van anderen haar zo razend gemaakt. En ineens wist ze voor zichzelf zeker, dat Hillegonda geen tiende-part van haar zou hebben verdragen van wat Door had verdragen.... En zij, die Door bijna een ongeluk had bezorgd met die melkkan omdat ze zich een grapje had veroorloofd over Hillegonda’s fouten -—-, ze had weken lang gezwegen, wanneer Hillegonda over Door sprak als „dat kind” en zelfs „dat wurm”.
Ze kon weer ademen, een last viel van haar af. Hoe klein en ijdel leek haar nu dit alles, hoe klein en ijdel had ze zichzelf gedragen. Ze had nog geen traan gelaten, nu stroomden plotseling haar ogen vol. Als door een mist zag ze mijnheer Blom, in zijn lange, vierkante, zwarte jas, ze verweet zich ineens, dat ze geen woord van al het gesprokene tot zich had laten doordringen.
„Ik wil eindigen....” hoorde ze hem nu zeggen. „Ik wil eindigen met deze woorden: al wat laag en klein was, is
227