DE KLAS VAN TWAALF
„Ben je alleen, Lien? Is Anna niet meegekomen?”
Het was Lea, met een roodbehuild gezicht.
Lien vertelde dat Anna’s vader weer erger was.
„Zeg, Lee, heb jij hier altijd in de stad gewoond?” vroeg ze dan.
„Ja, hoezo?”
„Heb jij ze nu allemaal gekend, die hier liggen?”
Lea keek links en rechts naar de graven, las namen, peinsde na.... en ze spraken over de mensen, die eens waren geweest....
Maar daar kwam, door het wijd-open, zware dubbele hek, over het knerpend grint, de kleine stoet het kerkhof binnenrijden. Aan de open lijkwagen trilden de witte bloemen, de brede, blanke linten. En Lien had plotseling het gevoel of ze nu pas begreep, hoe onherroepelijk het was. Willoos liet ze zich, blind van tranen, door Lea meenemen naar het open graf.
„Waar zijn ze allemaal?” fluisterde ze dan.
Ze stonden, klein en groot, tussen de volwassenen verloren. Alle gezichten strak en wit, alle ogen neerblikkend in de kuil. In de stilte schokkende snikken, schor geschrei, met moeite ingehouden.
Nu was het ogenblik daar, nu ging het gebeuren, nu ging hij weg. De kist was al uit de wagen getild en naar het graf gedragen en zonk nu langzaam, langzaam neer. Snel zetten de dragers dwars over de open kuil de zwart-gedekte baar en legden er de bloemen en kransen overheen, zó vele, zó weelderig, dat van het zwarte doek geen puntje zichtbaar bleef. Toen bleef het even doodstil.... dan kwam een bleke man in het zwart naar voren, hoge hoed in de hand; hij naderde het graf en begon te spreken.
Lien kon niet luisteren.... haar verdriet scheen verstild.... alles was zo vreedzaam.... het bleek veel minder akelig dan ze had gedacht.... In de stilte praatte de directeur, haalde de hele levensgeschiedenis op van de gestorvene; er werd gesnikt en geschreid. Daar stond mijnheer Blom.... en was dat Lea’s vader niet?
224