ZUSTERVETE
teruggeslagen —, maar het was onmogelijk, de partijen waren te hopeloos ongelijk en op een kortstondige hoop volgde de bittere zekerheid, bleken een volledige nederlaag en een volkomen onderwerping onvermijdelijk. Nel was door dat alles heftig aangedaan, tot in het diepst van haar wezen bewogen. Ze had een gloeiende haat gezworen aan alle Engelsen, aan alles wat Engels was. Daar op de ,,Nor” alleen Frans werd geleerd, nam ze sinds een paar jaar Engelse en Duitse les ■—, maar ze wilde nu plotseling van Engels niets meer weten, geen Engels boek meer zien. Een der heerlijkste dingen — had ze Door toevertrouwd! — die ze zich kon dromen was eens in haar leven een Engelsman te mogen beledigen. Ze stelde zich de scène tot in bijzonderheden voor. Ze zou ergens binnen komen en onder de aanwezigen zou ook een Engelsman zijn. Ze zou achtereenvolgens aan iedereen v/orden voorgesteld, totdat eindelijk de beurt aan die Engelsman kwam. Die zou dan natuurlijk zijn hand uitstrekken om de hare te drukken, maar zij zou dan zeggen: ,,Neen, mijnheer, ik kan u geen hand geven.” ,,En waarom niet?” —-, zou hij vragen. ,.Omdat u een Engelsman bent, mijnheer, en omdat ik, zo oud als ik word, nooit een Engelsman een hand zal geven.” Of hij dan ook beschaamd zou zijn, de ellendeling!
Door zei maar niet veel, als Nel zulke buien had. Ze kon dergelijke gevoelens wel heel goed begrijpen, vond het alleen ellendig dat Nel zich zó vreselijk opwond, dat haar gezondheid er onder leed. Dat nu ook juist die ellendige Hillegonda Baarslag er bij moest komen om Nel nog meer van de wijs te brengen. De Transvaal-oorlog en ,,De Kleine Johannes” lieten toch al niet veel aan Nel meer heel —, ze was geheel en al van streek, ze was op alle manieren de kluts kwijt. En Door kon haar niet meer volgen....
Ze hadden altijd samen gelezen en samen plannen gemaakt voor „later” —, ofschoon Door natuurlijk nu allang wist, dat er van haar toneelloopbaan wel nooit iets
207