DE KLAS VAN TWAALF
Wim en Let, hoe ze zich lachend, gelukkig en blij tussen de andere paren bewogen, zich voegden en scheidden, elkaar toewuifden als ze elkaar even loslaten moesten en met glanzende ogen weer tegemoet gingen Hoe kwam die Let aan zo'n knappe, aardige, blijkbaar rijke jongen? ,,Hoe komt Let aan die jongen?” Ze kon het niet inhou-den, ze moest het vragen.
,,Ik denk dat ze elkaar kennen,” antwoordde Lea lako-niek.
Ze zwegen even.
,,}ammer dat wij niet gevraagd zijn, hè?” begon Lea dan weer. „Maar we kennen hier ook niemand, moet je denken. We horen er ook eigenlijk niet bij.”
Ineens was Lea overeind.
„Spreek voor jezelf, zeg1” snauwde ze en liep weg naar haar eigen tafeltje.
Let kwam terug en Wim Wendelaar bleef even staan praten.
„Dans je ook?”
„Zo’n beetje.... krukkig.”
„Dat treft prachtig. Dan heb ik een geknipte danser voor je. Aad Roessingh, mijn vriend, de violist in het tableau, die kan er ook niet veel van. Mag ik je dan namens hem de volgende dans verzoeken?”
Hij was al weg en Lea zei:
„Waarom moet ik nu met alle geweld dansen met iemand die ook niet dansen kan?”
„Je hoeft niet te dansen. Maar hij wil ons daar aan die tafel hebben, zie je.”
„Wat zeg je...? Is het heus...? Wij aan die tafel...? Lieve help, ik durf eigenlijk niet.... Jij?”
„Waarom niet...?”
Het klonk zo zeker en zelfbewust —, en ineens voelde Lea het verschil tussen Let en zichzelf: zij was hier als uit haar eigen land in een vreemd land terecht gekomen ■—, en Let, juist andersom, als uit de vreemde in haar eigen land. Let was geen Assepoes....
196