FEEST IN „DE WAAKZAAMHEID"
was er nu toch niet meer. En hier zat ze met een lotgenoot.
„Waar is Let?” vroeg ze even later, heel gewoon, rustig, want niet anders verwachtend dan te horen dat Let zich even had verwijderd of een kennis was gaan aanspreken —, hoewel dit laatste haar al niet waarschijnlijk leek. Lea kinkte voor zich uit.
„Daar!”
Leida zat ineens overeind als was ze gestoken.
„Waar?”
„Daar. Aan het dansen.”
„Zij, Let...? Met wie...?”
„Met de jonge Wendelaar....”
„Och, je zanikt. Let bedoel ik.... niet Anke.”
„Neen, ik bedoel ook Let en niet Anke. Als je even wacht, kun je haar langs zien komen.”
Vrolijk pratend, met lachende gezichten, bewogen zich de paren in wandeldans over de gladde vloer —, voegden zich tot viertallen, tot rijen van acht, op de vrolijke maten van de muziek, en de oude dansmeester wuifde en wapperde met zijn stafje, achteruithuppelend voor de paren uit.
Mijnheer Aben opende de dans met een klein donker meisje, dat in de „kroeg” voor koopvrouw had gespeeld, een paar andere paren volgden, dan Frits met Jeanne, en Gien met een lange, gebrilde, onhandige jongen, en dan al gauw zag Leida dat Lea gelijk had gehad: daar ging Let voorbij aan de arm van Wim Wendelaar en knikte vriendelijk naar Lea en wierp een koud-verbaasde blik op haar. En opeens had Leida het onpleizierige en onverklaarbare gevoel, dat Let, in ongenaakbare en onbetwistbare superioriteit, plotseling hoog boven haar uit gekomen was.
„Hoe vond je de voorstellingen?” vroeg Lea, aldoor geslingerd tussen leedvermaak en medelijden.
„Ja.... och... wel mooi.... het ging nogal.”
Ze luisterde maar half, haar ogen volgden als betoverd
195