DE KLAS VAN TWAALF
fatsoenlijk”, zoveel mensen als er tegenwoordig al zonder tournure’tjes liepen —, maar wat kon je verwachten in een wereld, waar getrouwde vrouwen ronde hoeden bleven dragen? In haar tijd —, zó van het stadhuis terug, en zó het kapotje met keelbanden op!
Naar al die gesprekken luisterden de meisjes maar met een half oor —-, telkens meenden ze uit de verte de vigilante te horen naderen. Want ze zouden heel deftig met ,,koets en paard” worden gebracht en Lea’s vader had er tijdig een bij Hooft besproken.
Gewoonlijk kon je al van even voorbij het bruggetje van hun stille grachtje een rijtuig horen komen, maar nu lag er sneeuw en die dempte het geluid van wielen en hoeven —, al wat tot je doordrong was het klingelen der bellen, die de paarden om de hals droegen. En ja, daar naderde inderdaad uit de verte dat heldere geklingel, dat vrolijke wintergeluid, en werd luider en duidelijker en hield op bij het huis....
De hele familie geleidde ze door de winkel naar buiten. Daar stond het lage, brede, ouderwetse rijtuig juist tussen de beide brandende lantaarns en goot het roodgouden schijnsel van zijn eigen lampen uit over de sneeuw, biet paard schudde traag de kop, dat de bellen dansend rinkelden; zijn adem wolkte zijn neusgaten uit, de koetsier in zijn lange manteljas liep heen en weer te stampen in de sneeuw. De vlokjes dwarrelden, dromerig, geluidloos langs de lichte lantaarns, uit de donkere hemel naar de witte straat.
..Assepoes!” fluisterde Lea.
Het leek haar alles als een vertelsel. Zij in een rijtuig, zij naar een groot, deftig feest!
,,Vind-je het ook niet precies of we Assepoes zijn.... of de fee die ons heeft aangeraakt met haar toverstaf...?” zei ze opgewonden in het rijtuig tot Let. Maar Let glimlachte alleen en beaamde het niet. Dof hoorden ze onder zich de wielen rollen, als uit verten klepten de paardenhoeven op de sneeuw, overal was het geluid van dansende, rin-
178