LEA'S VERJAARDAG
Even aarzelde Lea, met het papiertje in de hand, dan legde ze het naast het kladje op tafel....
„Hè, wat is dat nu, Lee? Heb je Gien nu toch weer doorgehaald? En we hadden afgesproken....”
„Het schijnt niet te mogen,” lachte Lea verlegen. „Gister op school vliegende ruzie met haar gehad.”
„Vliegende ruzie.... jij met Gien?”
„Ja, om dat zwarte poesje, dat ze me had beloofd, je weet wel....”
„Ja....”
„Dat heeft ze aan Nel gegeven.”
„Hè, wat gek. Waarom?”
„Omdat ze het Nel ook beloofd had.”
Lettie begon te lachen.
„Echt weer iets voor Gien. Misschien heeft ze datzelfde poesje wel al tien keer weggegeven.”
„Mij had ze het het eerst beloofd!”
„Daarom was ze de belofte aan jou ook het gauwst weer vergeten. Heb je je daar kwaad om gemaakt?”
Lea aarzelde even.
„Och, het was natuurlijk weer door die ellendige Leida Verkruysen....”
„Begon ze weer te zagen over het Gouden Kalf?”
Lea knikte.
„Ellendig creatuur....” mompelde Lettie.
Zij in de eerste plaats had Lea’s moeilijkheden op school van het begin af meegemaakt, talloze malen erover gesproken, met haar alleen, of bij haar thuis en ze had, na alles wat „oom Daaf” haar over de mensen en hun kleinzielige vooroordeelen had gezegd, wel begrepen waarom Lea juist de schatrijke Gien eerder vermeed dan zocht. Ze waren dan ook, Lea en Gien, de twee eerste jaren, nauwelijks met elkaar in aanraking gekomen. Maar nu dit derde jaar hadden ze ineens contact gekregen, doordat ze allebei zo veel van lesgeven en van kleine kinderen hielden en nu onlangs had Gien haar een pasverschenen boek geleend, dat over allerlei bijzondere kinderen han-
137