DE KLAS VAN TWAALF
oordeelden over dat alles als dwazen — en die hadden het toch allemaal uit hun eigen bijbel heel goed kunnen weten.
Op de „Nor” was het natuurlijk wel dadelijk beter gegaan. De meisjes daar waren ouder, merendeels beschaafder, en wat verstandiger. Vader had eerst mijnheer Adelink om raad gevraagd, omdat zij er het enige Joodse meisje zou zijn, en had mijnheer Adelink het afgeraden, dan zou ze naar tante Esther in Amsterdam en naar de Kweekschool daar zijn gegaan. Dat zou haar vreselijk gespeten hebben. Want in de „voorbereidingsklas” had ze Lettie leren kennen en ze waren bijna van de eerste dag af vriendinnen geweest. Maar mijnheer Adelink had het vader en haar juist aangeraden, het zou wel meevallen, meende hij, en je kon toch nooit je moeilijkheden ontlopen.
En het was ook meegevallen. Leida Verkruysen was van meet af aan natuurlijk de ergste geweest, maar Jeanne Sixma had haar ook wel heel vaak tot mikpunt van haar geestigheden gekozen. Trouwens.... in de eerste klas allemaal wel een beetje! Och, en als ze nu aan zichzelf dacht, zoals ze toen was geweest.... een echt onbeholpen wezen. Van nature toch al niet bijdehand en dan altijd met dat gevoel dat ze anders werd gevonden dan de anderen, dat ze een uitzondering maakte, en altijd met die angst voor opdringerig te worden gehouden, als ze vriendschap zocht, waar vader haar immers van klein kind af zo tegen had gewaarschuwd en vermaand. „Wat in anderen voor hartelijkheid doorgaat, heet in ons altijd opdringerigheid,” zei vader dan —, maar vader wist misschien niet, hoe moeilijk hij het haar daarmee vaak had gemaakt, zodat ze op het laatst op elk woord, op elk gebaar van zichzelf was gaan letten.... Dat was in de tweede klas al wel wat beter geworden, ’t Scheelde natuurlijk heel veel, dat ze niet echt alleen was, dat ze Lettie altijd had, dat ze daardoor de anderen veel beter missen kon.
Verleden jaar, tegen de tijd van de verhoging, had ze met
128