LEA’S VERJAARDAG
Hè, wat was het hier toch verrukkelijk zo langs het water, wat zag je nog een massa mensen zeilen en roeien, wat zag je nog een strohoeden en lichte jurken dragen. Arme Let, nu thuis te moeten zitten met een verbrande voet. Gelukkig alweer aan de betere hand...
Ze moest ineens lachen. Ze dacht aan kleine Roosje, hoe die haar heel ernstig had verbeterd: ,,Je bedoelt toch zeker aan de betere voet?”
Woensdag zou Let wel weer voetje voor voetje kunnen lopen. En anders was het nog niet erg, dan liet vader haar door Hooft met de vigilante halen! Heel deftig. Want op Lea’s eerste verjaarpartij mocht Lettie toch zeker niet ontbreken.
Ja, het zou haar eerste verjaarpartij zijn. Nog nooit in haar leven had ze meisjes-op-visite gehad. Ze had het nooit begeerd, ze had het nooit gedurfd. Er heerste nog zoveel vooroordeel in het stadje, zoveel onverdraagzaamheid. En vader had het al heel jong haar ingeprent: „Toon ze dat het niet waar is, wat ze altijd van ons Joden zeggen, laat ze merken dat je liever alleen blijft, dan er half bij te horen, dan uit genade te worden geduld.” Dat had ze ook geprobeerd, maar ze had nooit goed geweten hoe ze het aan moest leggen. Wat anderen deden en vroegen, had zij niet durven doen en vragen, altijd denkend aan vaders vermaningen, en dat maakte haar vaak links en bleu en onhandig en dan werd ze uitgelachen en begon ze te huilen, of te stampvoeten, en soms vloog ze haar kwelgeesten in het haar, en ze noemden haar het malle Jodenkind. Neen, op de lagere school had ze het allesbehalve prettig gehad.. En dan altijd die idiote vragen. Eet jullie aardappels met suiker? Eet jullie krentenbrood met uien? En die andere, ergere onzin over hun oude gebruiken, hun feesten, hun begrafenisplechtigheden. Niets wisten ze ervan, niets begrepen ze en ze bespotten je maar, en lachten je uit en deden of ze héél wat meer en beter waren! En zelfs de grote mensen, zei vader altijd,
127