in de Eenheid, na die relaties vooraf in zichzelf te hebben herkend en volgens die natuurlijke herkenning gesteld. In die werkzaamheid blijkt hem het redelooze van regels, het onhoudbare van dogma's, waar hij alles onderscheidt als relatie en functie, in eeuwige wisseling en vervloeiing. Daardoor gelooft hij dan ook niet meer in de wetten en regels van de Uniformiteit, onderscheidt de daarin geforceerde distincties als onnatuurlijk en maakt zijn eigen oordeel tot den ,,maatstaf aller dingen", in het besef dat er geen betere maatstaf is.
Daarom moet de ware, denkende mensch noodzakelijkerwijs individualist zijn en kan zich noch de redelijkheid, noch de rechtvaardigheid in de maatschappij anders voordoen dan als tegenstrevend individualisme, in de kerk als ,,ketterij". De historie bevestigt dit. Maar terwijl hij weet, dat hij geen anderen maatstaf, geen ander ,,immanent criterium" kan aanvaarden dan eigen inzicht — beseft hij dan tegelijkertijd het ontoereikende van dien maatstaf, het slechts persoonlijk bruikbare van dat criterium, en kan hij dus niet, wat hij als eigen, zij het in-zich-volmaakt, inzicht erkent, anderen aanbieden als gesteldheden van algemeene geldigheid.
Ja, de individualist heeft zich als het ,,middelpunt van het heelal" gesteld, maar met dien verstande dat hij eigen ,,Ik" zoekt uit te breiden, tot het de ruimten en de verhoudingen van het Heelal in zich omvat en in zijn hoogste oogenblikken zich de zuivere afspiegeling van dat alomvattende Eene weet. Zou hij er in slagen, volkomen in de Eenheid op te gaan, dan ware hij tevens ondergegaan, zooals Goethe's Prometheus en de symbolen des Avondmaals ons leeren.
In zijn wezen spiegelt zich de zelfherkenningsdrang der Eenheid, die in hoogste instantie zelfvernietiging, zelfopheffing is. In den in de collectiviteit opgaanden mensch spiegelt zich de zelfvergetelheidsdrang der Eenheid, die daardoor zichzelf voor zelfopheffing bewaart. In zijn wezen is dus de E.enheid voor zichzelve blind. Van dien mensch uit: hij is blind voor de Eenheid.
We moeten ons deze beide tegenstrevende krachten denken als natuurkrachten, die zich op deze wijze voordoen in menschen zooals ,,het bevriezen" in vloeistoffen en ,,het oxydeeren" in metalen, en wanneer we ze ons als zoodanig denken, begrijpen
68