ook Ferdinand von "Walther schoot in vertrouwen tekort, Fiesco lijdt zelfs een zware zedelijke nederlaag. Maar een bijzonder verrassend voorbeeld — dat dan ook door den tijdgenoot en zelfs door het nageslacht geenszins werd goedgekeurd — van een heldin, een vrouw dus nog wel, die niet ,,vlekkeloos" is en voor wie toch sympathie wordt gevraagd, toont ons ,,Emilia Galotti" als ten bewijze, hoezeer de diepzinnige Lessing in vele dingen zijn tijd is vooruit geweest 1 En de bedoelde wending treft te meer, omdat ze zoo geheel onverwacht komt. Waanneer de ongelukkige Emilia, haar minnaar vermoord wetend, zich in het paleis van den verleider bevindt en haar vader smeekt haar bedreigde eer te redden door haar den dolk in het hart te stooten, wanneer dan Odoardo nog aarzelt, haar verzekerend, dat haar onschuld verheven is boven alle geweld, dan barst Emilia uit: ,,Aber nicht über alle Verführung! — Gewalt! Gewalt! wer kann der Gewalt nicht trotzen? W^as Gewalt heiszt ist nichts, Verführung ist die wahre Gewalt. Ich habe Blut, mein Vater; so jugendliches, so warmes Blut, als eine. Auch meine Sinne, sind Sinne. Ich stehe für nichts. Ich kenne das Haus der Grimaldi. Es ist das Haus der Freude. Eine Stunde da, unter den Augen meiner Mutten — und es erhob sich so mancher Tumult in meiner Seele, den die strengsten Uebungen der Religion kaum in "Wochen besänftigen konnten! Der Religion! Und Welcher Religion? Nichts Schlimmers zu vermeiden, sprangen Tausende in die Fluten, und sind Heiligel Geben Sie mir mein Vater, geben Sie mir diesen Dolch."
De goede Nicolai bij Lessing's leven, zelfs Grillparzer nog na zijn dood, om maar enkelen te noemen, hebben hem deze van zeldzame koenheid en menschenkennis getuigende woorden zijner heldin in hooge mate ten kwade geduid; voor ons zijn ze een bewijs, hoezeer de achttiende eeuw, na de ficties der voorafgegane litteratuur, in alle opzichten het wezenlijke, het menschelijke voor het kunstmatige heeft herkend, gezocht en geëerd — als symptoom van der Eenheid zelfherkenning!
In deze individualistische behoefte aan zelferkenning, zelfonderscheiding, aan innerlijke waarheid, desnoods ,,onstichtelijk", ontmoeten elkaar Renaissance en achttiende eeuw — en ze vindt haar eigenaardigste uitdrukking in de zoo harts
410