De maatschappelijke verheft zich op een ״dankbaarheid", een „vriendschap" die hem blind maakt voor de zonde, door weldoener of vriend jegens een hooger ideaal begaan, en rekent Brutus zijn daad zwaarder aan, omdat hij den vriend versloeg, instede van hem dubbel te prijzen, omdat hij vriend en vriendschap offerde. In „Cinna" is voortdurend van ,,dank" en „ondank" sprake, alsof daardoor de hoogste daden en beginselen bepaald zouden moeten worden — maar Petrarca, hoezeer de Colonna's genegen, hoezeer aan hen door dankbaarheid gebonden, vergaf zijn vriend en geestverwant Rienzi ook hun dood en hun ballingschap, voor het hoogere heil, dat hij voor Rome van hem hoopte — vergeefs. Zoo voelt, zoo handelt ook Vettina, en allerminst is hij, voor Schiller, zijn „wettigen heerscher" in zee werpend, de „koningsmoorder" uit de zeven-tiende-eeuwsche litteratuur, maar wel de nazaat van den Renaissance-Brutus en wel, met Lessing's Odoardo Galotti, de voorlooper, het beeld van dien soberen, deugdzamen en belange-loozen, — Robespierre, die over alle macht beschikte en honderdvijftig gulden naliet — dien Revolutionnairen Rechter, die binnenkort in Parijs den schrikkelijken eed zal zweren, „d'étouffer, dans son ame, au nom sacré de 1'humanité toute faiblesse hu-maine", zonder te beseffen dat de menschheid en haar goedheid uit haar „zwakheden" is opgebouwd en oprecht geloovend in de uitsluitende heilzaamheid van zijn tweeledige Orestesdaad.
In „Don Carlos" nog eens weer dezelfde groepeering, maar hier is er een belangrijk element bijgekomen: „Don Carlos" is vooral de tragedie van den eenzamen tyran. Geen menschen-soort ter wereld heeft Schiller zóó verfoeid als den tyran, hij, die zelf van tyrannie zoo bitter te lijden had — en toch weet hij hier op te werken tot medelijden met den eenzamen geweldenaar.
Dit vermogen om medelijden te hebben met den tegenstander, is op zichzelf weer een curieus bewijs van achttiende-eeuwsch onmaatschappelijk pantheïsme. Het collectiviteitsinstinct beteekent, we zeiden het gedurig, onverdraagzaamheid, daar onverdraagzaamheid alleen het eigen dogma in stand en in eere houdt - daarom zien we dan ook in elke kerk, in elke collectiviteit „Recht" volkomen samenvallen met
406