cratische meer naar voren gebracht — en in verband daarmee worden St. Preux, die vooral als minnaar sympathie moet wekken, schoon hij een ,,roturier" is, een huisonderwijzer, alle deugden van den klassieken ridder toegedicht, zij het dan verkapt; Werther daarentegen is niet in de eerste plaats de minnaar, maar de miskende, opstandige plebejer, vol ambitie en zelfgevoel, voor wie de liefde een bijzaak was. Het democratische, revolutionnaire karakter van ,,Werther" is dan ook Napoleon — een sterke ,,Werther" hij, die niet stierf, maar triomfeerde — blijkbaar niet ontgaan; in zijn bekend gesprek met Goethe schijnt hij bijna voortdurend over ,,Werther" te hebben gesproken, in wiens wezen hij dan eigen wezen zou hebben herkend.
Voor Rousseau echter is het probleem van de liefde, als menschelijk, natuurlijk gevoel in een onmenschelijke, onnatuurlijke maatschappij, een maatschappij op aristocratischen grondslag, een groot en belangrijk probleem geweest, zooals ook in zijn heele leven de liefde als een veel machtiger factor heeft gewerkt dan in Goethe's leven, de liefde tot den mensch, maar vooral de liefde tot de Menschheid. We behoeven niet meer te doen dan Goethe's ,,Confessions" namelijk ,,Dichtung und Wahrheit" te vergelijken met de ,,Confessions", om dit gewaar te worden.
In Frankrijk ook vooral gold de liefde als een aristocratisch sentiment, waar de burgerman buiten stond. Nadat de liefde aanvankelijk was geëxalteerd tot de ,,hooge deugd" van ridders en jonkvrouwen, werd ze tot ,,galanterie", tot levenskunst, merkteeken (distinctie-middel) van verfijnde cultuur, en dus al evenmin voor den eenvoudigen burgerman bereikbaar. We hebben het eerder gezegd: in een bloeiende collectiviteit, waar door de geestelijke uniformiteit der leden — zich voordoend als gebrek aan menschenkennis en aan zelfkennis — van ,,innerlijke waarheid" in de kunst geen sprake kan zijn, richt zich de kunstenaar uitsluitend op uiterlijke distinctie-middelen, om de belangstelling van gehoor en lezer, die het contrast nu eenmaal van noode heeft, gaande te houden. Waar het groote conflict tusschen Mensch en Wet verzwegen wordt, omdat het eenvoudig niet bestaat - blijft den kunstenaar niet veel anders dan de conflicten van ,,liefde" en ,,eer" — en dan worden
394