God" een koning te lezen. De stap was inderdaad niet groot en de schande evenmin. Maar een nieuw licht schijnt nu in en uit de lampen, die menschen heeten.
In Lessings ,,Emilia Galotti" — een treurspel en tien jaar na ,,Minna" geschreven — zijn de on-maatschappelijke en anti-maatschappelijke critische tendenties tot nog sterker uitdrukking gekomen, daar verschijnt voor het eerst de Vorst ten tooneele, wien niet slechts alle ,,goddelijkheid", maar zelfs alle hoogere menschelijkheid ontvallen is, die geen trek van de geïdealiseerde zeventiende-eeuwsche koningsgestalten meer vertoont. De willooze wellusteling, niet rechtaf verdorven — ofschoon hij ,,recht gerne" even wat doodvonnissen teekent vóór zijn morgenwandeling — maar speelbal van verdorven raadslieden — de meer dan de vorsten zelf verfoeide hovelingen. Lessings Prins in ,,Emilia" is dan weer de voorlooper van Schillers Vorst in ,,Kabale und Liebe" — de voorlooper van Frans I in Hugo's ,,Le Roi s'Amuse" — het type, dat niet uit de litteratuur zal verdwijnen, van dat vorstenaanbidding verdween, totdat in 1848 vorsten-willekeur voorgoed aan banden zal zijn gelegd en de artist voor den Vorst iedere belangstelling, want de Vorst als zoodanig iedere belangrijkheid verloren zal hebben. De hoveling Marinelli bij Lessing is Schillers hoveling Von Kalb — Graaf Appiani is zijn Posa, Don Carlos' vriend, die geen vorstendienaar wilde wezen — in Odoardo Galotti zien we reeds duidelijk het beeld van den strengen, onbuigzamen, hooghartig-zedelijken republikein, van Schiller's Vettina (in ,,Fiesco"), van Brutus, van de mannen, die de Fransche Revolutie hebben gemaakt, van Robespierre.
Zoo is er dan van de zeventiende-eeuwsche zienswijze en waardeeringen niet veel overgebleven. Deze, gegrond op maatschappelijke dogma's, zijn vervangen door andere, gegrond op de eeuwig-menschelijke inzichten omtrent rechtvaardigheid en redelijkheid, de eeuwig-gelijke zelfonderscheidingen van het Absolute en het maatschappelijk optimisme, genaamd idealisme, heeft plaats gemaakt voor een vurigen, diepen werkelijkheidszin, een ongebreidelde waarheidsliefde. Dat deze zich ook tegen het' maatschappelijke Christendom richt en ontdekt dat het met Christelijkheid even weinig heeft te maken als de maatschappelijke ,,Eer" met ware eerbaarheid — ligt
382