vindt haar deugd beloond door haar huwelijk met een schavuit van goeden huize, een man, dien geen meisje van heden het aanzien waard zou achten. Doch dit neemt niet weg dat dezen toch ook al waarlijk niet tot de ,,voorhoede" behoorden. En wie in het een héél eind in de avant-garde marcheerende Frankrijk na Bossuet nog de onderworpenheid van de rede aan het blinde autoriteitsgevoel hebben gepredikt, waren ö£ minderwaardige geesten öf minderwaardige karakters, van geen kansel donderde meer het ,,Soyons soumis" met het vuur van Bossuet's eerlijke overtuiging. In de grooten en eerlijken werkte de geest van critisch onderzoek, de geest van Fontenelle en Bayle — en geen stumpers, al meenen ze het nog zoo goed, en geen huichelaars, al maken ze zich nog zoo dik, en geen baat-zuchtigen, al zijn ze nog zoo geslepen, kunnen een organisatie of kerk voor den ondergang behoeden, daartoe behooren oprechtheid, geestdrift en zielegrootheid en juist die ontbreken, want de oprechten en geestdriftigen en grooten behooren tot het nieuwe kamp, spiegels van den nieuwen Geest, dragers van de nieuwe Gedachte. Lebt daé W^ort, éo wird ea von Zwergen getragen; ut daé Wart todt, m können ea keine Rieden aujrecht erhalten. En als er dan tegelijk geen reuzen meer zijnl "Want Rollin is al geen Bossuet — en na Rollin, niets meer, dan, in den loop der eeuw de machtelooze pogingen van het orgaan der Jansenisten ,,Les Nouvelles ecclésiastiques" en dat der Jezuïeten ,,Le Journal de Trévoux", om met bulderen en dreigen den wassenden geestesstroom te keeren.
Zooals zich bij het verloopen der Renaissance de nadeelen deden gevoelen, aan het vrije individualisme noodzakelijk verbonden, zoo laten zich bij het verloopen dezer periode de nadeelen van het centraliseeren van alle macht in één persoon gevoelen.
Beiderlei waren ze er steeds. Onafscheidelijk aan de voordeden zooals zijn schaduw aan den mensch — maar zooals de schaduw nauwelijks gezien wordt als de zon hoog staat, doch langer en duidelijker wordt tegen het ondergaan van de zon — zoo werden ook deze schaduwen niet opgemerkt, zoolang de zon van het Absolutisme hoog aan een helderen hemel stond — en ook in dezen zin pas opgemerkt, toen de zon daalde.
Wie over het verwordend en vervallend Absolutisme de
344