de absolute monarchie op den ouden grondslag in de achttiende eeuw noodzakelijkerwijs ö£ baatzuchtig en lichtzinnig, zonder grootheid, zonder idealen: Lodewijk XV; öf krachteloos, achterlijk en hulpeloos-passief: Lodewijk XVI. De grootste vorst van de achttiende eeuw, Frederik de Groote, heeft zichzelf ,,de dienaar zijns volks" genoemd en hij had ook blijkens andere curieuze uitlatingen, waarop we terugkomen, met het dogma zijner goddelijkheid gebroken. Na Lodewijk XIV is er in diens stijl geen groot heerscher meer geweest.
Ditzelfde kan gezegd worden van den zeventiende-eeuw-schen geestelijken monarch: Bossuet.
Nimmer predikte Bossuet de heiligheid van het kerkelijk en wereldsch Gezag voor een bewust doel buiten de zaak om, ook in hem was de doelloosheid, was het ,,1'art pour 1'art", het geheim van den gloed en de welsprekendheid, die hem triumfeeren en slagen deden. Onmiskenbaar blijkt zijn volmaakte goede trouw uit zijn onvoorzichtigheid, uit de verheven argeloosheid, waarmee hijzelf de onvereenigbaarheid van geloof en rede bepleitte, overtuigd dat toch nooit iemand het geloof zou kunnen missen of willen verwerpen! Hij leerde niet de onderworpenheid om menschen ,,klein te houden" met de een of andere enghartige, politieke bijbedoeling, zooals de 19e-eeuwsche ,,School van Bossuet" (De Bonald c.s.) dat zou doen, maar omdat hij onderworpenheid den natuurlijken plicht achtte voor de ongetitelde en ongefortuneerde ,,massa", waarin hij, als zijn gansche theologisch-aristocratische maatschappij, niets anders dan een minderwaardige kudde kon zien. Zulke inzichten bestaan nu nog wel, doch alleen bij een troep stupide stuipekoppen en ze zijn sinds lang onvereenigbaar met grootheid van geest en hoogheid van karakter. Ze worden daarom ook niet meer openlijk en eerlijk beleden, doch geniepig weggemoffeld onder omhaal van frasen en teksten. Tot in de achttiende eeuw zijn ze door eerlijke menschen eerlijk beleden; d.w.z. waren ze deel van de levende werkelijkheid. In ,,Clarissa Harlowe" nog heet het van een tevoren als hoogst ongunstig en immoreel gekenschetst man: ,,we behandelden hem met den eerbied aan zijn ouden naam en zijn groot fortuin verschuldigd." Niet alleen de eerbied voor den naam, maar ook voor het fortuin werd rondborstig beleden. Richardson's ,,Pamela"
343