jegens die autoriteiten, mogen het kerkvaders en heiligen zijn, die ten slotte toch ook ״menschen waren, meer vervuld met wat ze geloofden, dan met wat ze zagen". Nergens de behoefte om te stichten, te verzekeren, te bemoedigen, te beloven, op te beuren - overal de drang en het verlangen tot waarheid te komen en te brengen. In overeenstemming daarmee geen spoor meer van de zelfoverschatting — geheeten ״idealisme" — van de zeventiende eeuw, en de achterlijke Engelsche moralisten (niet die uit de realistische school van Fielding en Smollett, maar die uit de ״idealistische" school van Addison) der achttiende eeuw — overal een inzicht in de onmacht en de onwaarde van den mensch, welke een weerlegging is van het maatschappelijk optimisme, dat zich zoo gaarne een schoonen schijn geeft en een schoonen naam, maar in werkelijkheid beduidt een blind en koppig ophemelen van zichzelf en het bestaande, om zich met een schijn van recht op de hervormers te kunnen werpen, noodig voor alle collectiviteiten, daarom van alle tijden, en het duidelijkst uitgedrukt in de door Schopenhauer zoozeer verfoeide formule van het ״Joodsche optimisme" : (En God zag) dat het goed waé." Op dit essentieele, onontbeerlijke optimisme van elke collectiviteit — steeds het: luidste weergalmd door haar beste steunpilaren — en op de volledige weerlegging er van in de achttiende eeuw komen we uitvoerig terug. Het werkt nog onverflauwd en onverdroten, tot op den huidigen dag.
Maar Pierre Bayle heeft zich, om zijn ontwakend inzicht in de zedelijke onvolmaaktheid van den mensch, den naam ״pessimist" op den hals gehaald — het brandmerk van Sokrates en van Swift, van Rochefoucauld, van Ibsen en van Shaw» van elkeen die het waagt aan te toonen, dat het (zooals het is), niet ״goed is," en ook daarin is hij modern.
Dit inzicht in eigen onvolmaaktheid tracht Bayle den menschen vooral te geven om ze tot verdraagzaamheid te stemmen (zooals de collectiviteit precies het tegendeel tot een tegengesteld doel beoogt). "Wat weten we, dat we anderen onze waarheid zouden opdringen? "Wie zijn we, dat we over anderen rechter en beul zouden durven zijn? Kunnen we ooit ״De Waarheid" vinden? Duidelijk blijkt het: Bayle gelooft nog hartgrondig in ״De "Waarheid" — wie in onze eigen dagen
332