de opheffing aller (dogmatische) scheidingslijnen, zoo goed die tusschen ,,geest" en ,,stof", als die tusschen ,,hun waarheid" en ,,onze waarheid" — tot ,,ons aller waarheid", die dan in elk van ons allen anders is.
Daar dus Descartes altijd nog levend deel uitmaakt van een levende collectiviteit, zoo spiegelt zijn wezen niet een moment in de zelfontplooiing van het Absolute, maar het collectieve katholieke dogma, daar hij echter reeds door de moderne methode van het zelfonderzoek tot het blootleggen van dat eigen wezen vermocht te komen, verhief hij dat collectieve dogma tot zijn eigen waarheid — en zoo is hij dan het zeldzaam voorbeeld van een geest, waarin ,,Rede" en ,,Openbaring" tezamen vallen — iets dat wellicht alleen toen (en in overeenkomstige tijdsgewrichten) op die wijze mogelijk was.
"Want gelijk Hobbes er in slaagt, met de vernuftige vondst der contractueele verplichtingen uit den vrij-geboren mensch den slaaf van den Leviathan te maken, weet Descartes van zoovele dingen die ,,krachtens hun evidentie" ,,uit God" zijn en „waaromtrent God ons toch niet zal willen bedriegen" de omomstootelijke zekerheid vast te stellen, dat we ten slotte in stede van „1'écart absolu et le doute absolu" een wereld vol gesteldheden, stelligheden voor ons verkrijgen, in hoofdzaak samenvallend met de gangbare stelligheden en gesteldheden van zijn tijd — en waarvan het aanvaarden, evenzeer overeenkomstig den geest zijns tijds, zelfs niet alleen als teeken van intellectueele volmaking, maar als een zedelijke plicht wordt aangemerkt, waartoe elkeen kan worden genoopt! Hier, als bij Augustinus, een voortdurend verwarren van ״schuld" en ״dwaling", voortspruitend uit eenzelfde collectivistisch tucht-instinct, 't welk geen (aan de hechtheid der collectiviteit schadelijke 1) dwalingen vermag te aanvaarden, zonder den dwalende te willen straffen. En ook deze onderscheiding zal onmiddellijk worden gevoeld, zoodra het collectiviteitsinstinct (zin voor nut en tucht) gaat afnemen, en dan zelfs door vrij middelmatige denkers, doch ze kan niet worden gevoeld, waar het collectiviteitsgevoel nog bloeit, en dan zelfs niet door groote denkers! Want we zien (onderscheiden) slechts daar, waar licht is ontstoken en we steken
319