den rijpen, bewusten mensch, die doordrongen is van het besef der eeuwige ontoereikendheid en betrekkelijkheid. In dat willen zien van vlekkelooze menschen — lees: ,,sympathieke karakters" — spiegelt zich de lichtschuwe zwakheid van den maat-schappelijken mensch, die eigen zelfverheffing te goed doet in de vereenzelviging met die deugdzame helden en heldinnen. Ook omtrent hun eigen feilen en vlekken verkeeren ze immers in de diepste verblinding. Hoe scherp en knap stelt Ibsen voortdurend de zelfkennis, het echte zondebesef van den idealistischen individualist tegenover de zelfverheffing, de valsche nederigheid van den maatschappelijke, den zwakke. In ,,De Volksvijand" is het Stockmann's eerlijke, moedige, tot het eind toe volhardende dochter, die bekent dat ze luistervink heeft gespeeld — de veel minder idealistische moeder zegt ,,dat het beschot zoo dun was". In „De Wilde Eend" vraagt de fut-looze, door-en-door 'egoïste braller Hjalmar Ekdal op pom-peuzen toon aan zijn vriend of die kan begrijpen dat een „ont-eerd" man (zijn eigen vader) op het critieke oogenblik geen zelfmoord heeft durven plegen. Hij, Hjalmar Ekdal, vindt het „onbegrijpelijk", maar Gregers Werle, de ware „idealist", die alles durft, alles kan en alles op zich neemt, antwoord dat hij zulk een aarzeling heel goed begrijpt. En als Hjalmar dan over zijn eigen latere zelfmoordbevlieging spreekt, dan liet hij het natuurlijk „om zijn vrouw" die hij voor slavin gebruikt en „om zijn kind", dat hij wreedaardiglijk verstoot en in den dood drijft, als hij ten slotte meent te weten, dat het zijn eigen kind niet is. De eeuwig-oude, eeuwig-nieuwe tegenstelling.
Het dramatisch conflict in een stichtelijk, maatschappelijk drama kan dus nimmer gevonden worden in de innerlijke verdeeldheid der personen — deze immers geldt als „zwakheid", of wel „sentimentaliteit" en behoort dus niet tot „den voortreffelijken mensch" in maatschappelijke opvatting, tot den man-uit-één-stuk. Evenmin kan het conflict gezocht worden in de vijandschap tusschen mensch en maatschappij — deze bestaat natuurlijk niet in het maatschappelijk drama; de aangewezen held is juist de krijgsheld, de verdediger der organisatie. Het conflict kan dus niet in, maar moet buiten de persoon gevonden worden, zooals in de maatschappelijke on-persoon niets van binnen uit, langs den weg des denkens,
233