poéfcique" is een verzameling dogma's — die men wel eens de ,,Code Napoléon" der poëzie heeft geheeten — en leerstelligheden ten behoeve van hen, die het métier van dichten wenschen te beoefenen — want het ,,bevoegdheids-aas" wordt als steeds weer de hoogste troef in het maatschappelijk kaartspel — een soort receptenboek, waarin alle genres en hun verschillende eischen behandeld worden. Ook hier een overmatig hechten aan techniek en uiterlijke vaardigheid, bij en door een vrijwel ontbreken van innerlijke, persoonlijke vrijheid.
Overal herkennen we aldus de neiging om den Autoriteit, den gezaghebbende, de bevoegdheid weer in de plaats van het persoonlijk zedelijk en redelijk onderscheidingsvermogen te schuiven en den maatschappelijken mensch in zijn natuurlijke zwakheid door al die steunselen nog te verzwakken, hem tegelijkertijd een schijn van hooge kracht verleenend (want juist hij die rondom gesteund wordt, en als een kind aan den leiband gaat, waant het stevigst te staan, de zwaksten brullen altijd het hardst over hun ,,vrijen wil") aan welken schijn-van-kracht hij zijn recht ontleent, anderen te oordeelen en te tuchtigen, waarop het zoo hard aankomt in de maatschappij, waar dus elke echte zelfkennis (menschenkennis) een gevaar beduidt.
Voegen we aan deze korte schets nog de herinnering toe aan het bekende feit, dat omstreeks 1630 de groote Fransche mode ontstond, waarmee ook aan het individualisme in de kleeding, gelijk de Renaissance het te zien geeft, een einde werd gemaakt, dan is ons het dogmatische, academische, autoritair-uniformiseerende karakter van den tijd duidelijk geworden en kunnen we terugkeeren tot de vraag, hoe zich in volk en maatschappij de kunst voordoet en vormt en welke plaats er de kunstenaar inneemt. Dat de kunst in een maatschappij als de Fransche van Lodewijk XIV een dienend karakter draagt, is al duidelijk geworden. Ze heeft de plicht om te stichten. Stichtelijk is, zeiden we eerder, in het huidig spraakgebruik nog synoniem met opbouwend — de stichtelijke en stichtende kunst draagt dus bij aan het algemeene werk der instandhouding, der opbouwing — en mist de ontbindende ,,opheffende" elementen, die der redelijkheid, der innerlijke waarheid. Toch is die plicht om te stichten geen dwang den kun
228