— ontleende woorden en termen gevoegd. En uit die taalschatten koos elkeen naar persoonlijk believen en goeddunken, op echt-individualistischen grondslag.
Het ontwakend collectiviteitsgevoel moest daaraan om meer dan één reden aanstoot nemen. We laten die verschillende motieven hier volgen.
Ten eerste, omdat de eigen taal (naast en met de landsgrenzen) het duidelijkste en bruikbaarste collectieve distinctiemiddel is, ja als zoodanig onontbeerlijk. Nu hebben we indertijd uiteengezet hoe elke collectiviteit, krachtens haar aard en wijze van doen, altijd haar levensnoodzaak, haar vitale belangen, zal opschroeven tot ״idealen" en aan haar ficties den schijn van realiteiten verleenen. Het gansche nationalisme is zulk een levens-noodzakelijke fictie, die door alle collectief-voelenden zonder voorbehoud aanvaard, maar door hen, in wie de Redelijkheid leeft, zonder voorbehoud verworpen wordt.
Het fabeltje van de verschillende volkskarakters ontleent een schijn van werkelijkheid aan futiele verschillen in levenswijze en gewoonten, welke „pour les besoins de la cause" tot diepgaande onderscheidingen worden opgeblazen — alsof niet verre vreemden, die één geest belijden, elkander nader stonden dan „landgenooten", welke door het ééne reëele onderscheid (dat tusschen „man of fact" en „man of idea") worden verdeeld; het fabeltje van het patriotisme aan de ,,liefde tot den geboortegrond", die tot een gansch andere categorie behoort, het fabeltje van de Heilige Moedertaal aan een instinctieve gehechtheid, tot „beginsel" verheerlijkt. We hebben deze dingen eerder en elders uitvoerig besproken 1) en herhalen het hier nu nog eens. De liefde van den Hollander tot zijn eigen taal is niet „verhevener" dan die van den koopman tot zijn brandkast en van den boer tot zijn akker en van den Volen-dammer tot zijn wijde broek. De taal is een instrument tot uitdrukking der gedachte, evenmin heilig (of onheilig) als een appel, evenmin verheven (of onverheven) als een spoortrein. Maar de taal is óók het collectieve distinctie-middel bij uitnemendheid en moest daarom op deze buitensporige wijze worden geïdealiseerd juist door hen, die liever slecht Engelsch, dan goed Hollandsch spreken, zooals het „Vaderland" het
*) ,,Patriotisme en Menschenliefde". Een brochure.
223