tiende eeuw de duidelijke poging om het denken met het ge-looven te verzoenen.
Op het geloovig ,,ja" van de Middeleeuwen, en het onge-loovig ,,neen" van de Renaissance volgt de poging tot een verzoenend ,,betrekkelijk". En aldus verloopt, we zullen het herhaaldelijk opmerken, de ontwikkelingsgang van menschen en geslachten. AVe kunnen dat noemen: iets bezitten, iets verliezen, iets opnieuw en dan hechter bezitten.
Langs dezen weg leidt de evolutie van het laag-subjectieve egocentrische oordeel, over den waan dat objectief oordeel mogelijk ware, naar het hoog-subjectieve individualistische oordeel. Aanvankelijk neemt de onbewuste mensch (ook het kind) zijn kleine persoonlijke ,,ik" tot ,,maatstaf van alle dingen" —; het ontoereikende en onwaardige daarvan inziende, komt hij dan tot het (gewaande) elimineeren van zijn ,,ik" in een hoezeer ook nuttige, steeds steriele herhaling en reproductie van wat anderen eerder voelden, ervoeren, oordeelden en aldus doende schiepen — want dit en niets meer is ,,objectiviteit" '— om dan eindelijk, en bewust, zijn gerijpt bovenpersoonlijk Ik te maken tot ,,maatstaf aller dingen" in het besef dat er geen andere is, en deze uitteraard ontoereikend en betrekkelijk. Pas in dien hoogsten ontwikkelingsgraad is hij tot dat besef der ontoereikendheid en betrekkelijkheid van elk oordeel gekomen, waartoe de ,,objectieve", de ,,wetenschappelijke" bezwaarlijk, de egocentrische nimmer komt.
Zoo gaat het over het onverwerkte ,,ja" van den ,,geloo-vige", langs het botte ,,neen" van den ,,materialist", naar een persoonlijke levensbeschouwing met een ,,immanent dogma" tot strengen grondslag, en toch door den belijder zelf als niet meer dan ,,geloof" erkend, waar, voor zoover waarachtig en niet-waar voor zoover eenzijdig — zoo van een kortzichtig egoïstisch ,,optimisme", over een pruttelig, steriel ,,pessimisme" naar het ,,contented pessimisme", dat alles doorziet en niettemin met alles vrede heeft — zoo van slaafsche gebondenheid over den droom van te bemachtigen vrijheid naar de erkende gebondenheid, die de eenige, de ware vrijheid is. Zoo keert de gerijpte mensch vaak met begrip terug naar wat hij eerst zonder begrip aanvaardde en daarna zonder begrip verwierp.
201