Europeeschc Christenen, geen ,,Grieken", maar ,,Joden", zij, die nu nog een wereldoorlog noodig hebben om tot de meest primitieve erkenningen en inzichten te komen, die rustig van zichzelf erkennen, dat ze dit en dat van den oorlog hebben geleerd, alsof het geen schande is, dat een mensch van een oorlog iets leeren moet. Niet de Evangelische ,,wijsheid", maar de Evangelische ,,teekenen", de Evangelische begripsverbeelding en persoonsverheerlijking zijn de grondslagen van den hooggeprezen ,,triomf des Christendoms".
De ,,Griek" is het denkende individu, 't welk de Rede tot zijn uitsluitend richtsnoer kiest, de ,,Jood" is de redelooze collectief-voelende, die door krachtsvertoon en machtsvertoon (,,teekenen") tot aanbidding en geloof wordt geïmponeerd en die zich om den innerlijken samenhang tusschen het teeken, het verrichte wonder, en de leer van hem die het verricht, allerminst bekommert, dus ook niet opmerkt dat die samenhang nimmer en nergens bestaat. Voor den ,,Griek" is het Kruis geen, voor den (christelijken) ,,Jood" is het wel een argument — waarmee niet gezegd is, dat er onder de Joden geen Grieken zouden zijn. Hoe weinig zich de ,,Jood" (het kerkelijk-maat-schappelijk temperament) bekommert om den redelijken samenhang tusschen den inhoud der te aanvaarden leerstelling en het mirakel, dat die leerstelling bevestigen moet (en natuurlijk nooit bevestigen kan) blijkt uit Pascals ,,Pensees sur les Miracles".
Uit dien gemoedstoestand is de Joodsche godheid de projectie, die na den Zondvloed Noachs offer van noode heeft tot de belofte dat geen algemeene menschenuitroeiing meer zal worden beschikt, alsof er tusschen het een en het ander ook maar de geringste samenhang bestond — en die gemoedstoestand zal ons blijken uit alles bij de behandeling van het tijdperk dat we thans kortelings gaan beschrijven. Doch elk moment in het wereldproces draagt alle vorige in zich en evenmin als een mensch terugkeert op zijn weg, evenmin keert de menschheid terug op haar weg. Mensch noch menschheid kunnen geheel vergeten, wat ze eens hebben geleerd. Daarom kan het beginsel der persoonlijke critiek, het recht op persoonlijk oordeel niet, althans niet langer geheel verworpen worden. En daardoor zien we in de eerste helft van de zeven-
200