Karei van Bourgondië is dan weer de triomf van het intellect over de stupiditeit, van Renaissance-realisme over Middel-eeuwsche fantasterij — de triomf van Reinaert de Vos!
Doch hoe weinig hebben zelfs denkers en individualisten gevoeld voor de grenzenlooze zelfaanvaarding, het heldhaftig realisme van Macchiavelli, zijn afkeer van al de zalvende zelfmisleiding, die men nog maar altijd ,,idealisme" heet, voor de kracht en de onversaagdheid, waarmee hij de structuur der dingen bloot legt, zonder halfweg terug te schrikken. Rousseau kon in het bestaan van zulk een cynisch monster eenvoudig niet gelooven en spreekt in zijn ,,Contrat Social" het vermoeden uit, dat Macchiavelli's boek de vorsten en hun misbruiken heeft willen hekelen en dat hij voor zijn veiligheid den vorm van lessen en raadgevingen koos. Een mensch ziet toch maar altijd wat hij gaarne wil! Macchiavelli is immers heel geen uitzondering, al heeft hij de daden en instincten zijner tijd-genooten den vorm van een theorie gegeven. Zijn nuchtere, realistische geest was de geest der Italiaansche Renaissance — spreekt er dan een andere uit de mémoires van een Philippe de Commynes, uit de gedenkschriften en brieven van Pausen en condottieri? Weten we niet hoe ze glimlachen over de frazen van ,,heilig recht" en ,,heilige plicht", waaraan de innerlijke-zwakke Noordelijke Middeleeuwers zich staande hielden (en nog houden) omdat ze de onbedekte waarheid van hun eigen drijven, van hun hebzucht en heerschzucht niet dragen konden, hoe ze al die exaltaties doorzagen, zij, de eersten, die huurlingen gebruikten, omdat ze niets bijzonder verhevens vonden in den soldatendood, en die ook alle andere dingen eveneens koelbloedig noemden bij hun waren naam?
Ook Spinoza (in zijn „Staatkundige Verhandeling") oppert de veronderstelling, dat Macchiavelli's boek als een waarschuwing aan de lieden, om geen vorst met absolute macht te bekleeden, moet worden opgevat, daar immers ,,een wijs man niets zonder een goed oogmerk doet". En ook Spinoza ziet, aldus onderstellende, de verborgen, zedelijke waarde van „II Principe" over het hoofd, welke deze is: dat het geen koning, geen mensch onkundig laat omtrent datgene wat hij zal hebben te doen als hij reikt naar de macht!
185