maar het lezen van Grieksch met een wantrouwig oog werd aangezien. In het Tory-Engeland van George III en den be-ruchten George IV, waar de revolutionnaire idee broeide en smeulde, werden dronkenschap en losbandigheid schier stelselmatig aangemoedigd, maar het door de toenemende pantheïstische gevoelens opkomend vegetarisme — waarin Shelley en Byron voorgingen — maakte zijn aanhangers verdacht, haalde hen het stereotiepe etiket van ,,Jacobijn en Godloochenaar" op den hals. Menigeen is naar Siberië verbannen om niets dan omdat hij geheel-onthouding predikte en in ons eigen land hebben we hetzelfde kunnen beleven, toen de propaganda voor geheel-onthouding onder de marinematrozen stelselmatig van „hoogerhand" werd belemmerd en tegengewerkt.
In den sobere steekt de revolutionnair, als in hem het geweten opstaat tegen het onrecht, zal hem althans de angst voor den borrel niet terughouden. Daarom moet er gezorgd worden, dat hij niet van den borrel raakt. Heeft hij daarbij het zuivere genot des denkens eenmaal leeren smaken, dan staat hij daardoor vrijer tegenover de collectiviteit en wat zij bieden kan.
Het spreekt echter vanzelf, dat dergelijke dwangmiddelen en lokmiddelen, juist wanneer zij den ,,steunpilaren" onmisbaar gaan schijnen tegenover een al feller optredende oppositie, niet meer baten. En daarvóór waren ze overbodig. Ze baten dus eigenlijk nimmer. Het optreden dier oppositie wijst er immers op, dat het uur der ,,opheffing (ontbinding van de uniformiteit) in aantocht is. Een bloeiende collectiviteit is de uitdrukking van der Eenheid volkomen zelfvergetelheid; oppositie is daar dus ondenkbaar, want oppositie treedt op als de openbaring van der Eenheid zelf-herkenning.
Is er dus oppositie, dan verkeert de collectiviteit reeds in verval - een verval, dat zich tegelijkertijd dan ook uit andere symptomen laat opmerken. De aanblik van deze coïncidentie, van dit gelijktijdig optreden der verschillende symptomen heeft de Eenheid-blinde, niet-denkende menschen, die overal en steeds, juist als de kinderen „causaliteit" bespeuren, er toe gebracht om te zeggen, dat de oppositie ontstaat door het verval van de maatschappij, ter oorzake van haar corruptie. Het intreden van die corruptie — die het Frankrijk van Lodewijk XVI onderscheidt van het Frankrijk van Lodewijk XIV — moet
92