en perziken, en peren van fraaien vorm en met gele en roode kleurtjes als op een prentje.
Tegen den middag gingen Daniël en Roosje naar het station om Jozef te halen. Zijn thuiskomen, half als vreemde gast, verhoogde de feestelijkheid van het vreugdevolle Nieuw-jaar en het heele gezin verheugde zich erin.
Roosje vond het gewichtig, dat ze nu een logé kregen, en ze nam zich voor om op de buurt te geuren met den grooten broer, dien ze in geen zes weken had gezien, en van wien vader had gezegd, dat hij er uitzag als een heer. Wat was het voornaam, een broer te hebben, die iedere week tien gulden verdiende en bij vreemde menschen in den kost was. Ze zou hem zeker vragen, of hij morgen na Sjoel tijd met haar wou gaan wandelen. Om hem te gaan afhalen, had ze zich opgeknapt, haar mooien hoed opgezet, want ze wilde niet armelijk lijken bij den heerigen broer.
Daniël ook was verheugd om de komst van zijn broer. Het was eigenlijk een triestig leven geweest, het zijne, dit afgeloopen jaar. Aan de eenzaamheid op school, de geringschattende houding van den directeur en van den gymnastiekleeraar was hij al gewend; de andere leeraren waren billijk en soms wel vriendelijk, de Duitscher had hem zelfs gezegd, dat hij den directeur misselijk vond met z'n antipathie tegen een leerling, omdat die een Jood was en kosteloos schoolging. Dat was ook allemaal het erge niet. Maar dat hij nooit meer bij de Bontens werd gevraagd, dat Loesje plotseling van school was genomen en hem nauwelijks meer groette, als hij haar tegenkwam op straat met haar moeder. Ze was niet boos op hem, dat merkte hij wel, maar ze durfde hem niet vriendelijk groeten, het was haar blijkbaar verboden, zeker vonden ze, dat ze al veel te veel notitie had genomen van den Jood. Of hij het gevoeld had, of hij het begrepen had! Ze konden hem niet wijs-
94