zag precies hoe het nu gaan zou. Jozef weg en moeder na de inspanning voor zijn uitzet en alle beredderingen van het afscheid, nog zwakker dan tevoren, en dan zij van school af en den heelen dag thuis. Dan kon zij meid spelen, werken en koken, voortdurend opgesloten zitten in die enge kamer achter den winkel, dag-in-dag-uit stofafnemen, en vegen en aardappelen schillen. Ze zouden Moos Meijer krijgen voor in den winkel, maar eer zoo een nieuwe jongen gewend was, zou ze ook daar nog heel wat keeren moeten helpen en bijspringen.
Uit zou 't zijn met haar vrijheid en van na vieren spelen en theedrinken bij Lizzie in den tuin, zou geen sprake meer wezen. Ieder uurtje vrijheid zou ze moeten bepingelen en afdwingen. Nu zouden ze het allemaal beter hebben dan zij. Daantje leefde al sinds lang een heelemaal eigen leven, niemand bemoeide zich met zijn zaken, niemand vroeg hem iets of ging hem na. Hij was nog niet voluit vijftien jaar en met nummer één in de vierde klas gekomen.
Bij de Bontens aan huis kwam hij niet meer, en ook zag Esther hem nimmer, als vroeger, met Loesje te zamen. Die was trouwens het vorige jaar van de burgerschool afgegaan, en Hein studeerde in Amsterdam, voor advocaat. Ze zeiden, dat hij socialist was geworden en maar zelden meer bij zijn ouders thuis kwam.
Al had Daan dus meer vrijheid dan zij, Esther, maatschappelijk meende ze hem overbluft te hebben. Zij had nu haar vriendinnetje uit den aanzienlijken stand en hij was op school nog even afgezonderd als in het allereerste begin. En vroeger had zij nogal opgesneden om zijn omgang met Hein en Loesje Bonten. Maar ernaar vragen dorst ze niet. Vertrouwelijk waren ze nooit geweest, Esther en haar jongste broer; nog minder dan tot de anderen voelde ze zich tot hem aangetrokken, maar de laatste jaren hadden hen tot
90