VERKLARENDE WOORDENLIJST
Bar-mitswo: kerkelijk meerderjarig.
Chanoekafeest: feest ter herinnering aan de Macca-beeën en aan een wonderlijk strekkend kruikje olie.
Garouses: zoet mengsel van appelen, wijn, rozijnen enz.
Gattes: armoedzaaier.
Gewre: godsdienstige vereeniging.
Gillel-hasjem: opspraak.
Goj: niet-Jood.
Gomets: gezuurde spijs, voor Paaschgebruik ongeoorloofd.
Treife: onrein, ongeoorloofd.
Jid: Jood.
Jiddisch: Joodsch.
Jomtof: feest, hoogtij.
Joum-kippoer: Verzoendag.
Kaddisj: Gebed voor een overledene, op den datum van zijn sterven.
Kille: Joodsche Gemeente.
Koosjer: rein, geoorloofd.
Lemen: ter inwijding van een nieuw huis lofzeggingen en gebeden uitspreken.
Matse: matso, ongezuurd brood voor Paaschgebruik.
Mesjogge: dwaas, mal.
Mesjoegarem-huis: krankzinnigen gesticht.
Mies: leelijk.
Min jam: vereeniging van tien kerkelijk-meerder jarige mannen, gerechtigd tot een gezamenlijke godsdienstoefening.
Keweire: zonde.
Oggenebbiesj: medelijden, ook als uitroep gebezigd.
Pars je: af deeling uit de Tora (Heilige Wet) te lezen door een dertienjarigen jongen, die kerkelijk meerderjarig wordt.
Pésach: Paaschfeest.