houding aan een vakstudie zoo veel gewicht te hechten en daardoor het geheele bestaan te laten beheer-schen. Er waren er ook wel die flirtten en uitgingen en zich uitnemend, ook wel opzichtig kleedden, maar in die vond hij immer iets onnatuurlijks, als het snerpen van een te strak-gestemde viool. En hij vond ze, ondanks hun coquette gedoe, evenmin echte meisjes als de anderen. Hij merkte ook wel eens iets van een nauw-verborgen zinnelijkheid, die hem tegemoet gloeide, hij ving wel eens een hevigen blik, voelde wel eens een hand in de zijne verkillen en beven, en ook dat trok hem dan wel aan, maar steeds moest hij dan óók terugdenken aan den kus van dat Indische meisje, jaren terug, en zijn tegenzin won het van de aantrekking, die ook niet veel meer dan nieuwsgierigheid was.
Hij was vroolijk en gedienstig, een aangenaam mensch om mee om te gaan, iemand die zich, argeloos eri achteloos, nergens druk over maakt, zich goedig verbaast over het gewurm van anderen in zaken van politiek en ethiek, evengoed als in de naar zijn gevoel volstrekt onbelangrijke kwesties van bezit, stand, aanzien. Maar de opzichtige onverschilligheid, het los-van-het-aardsche-gedoe der diepzinnige filosofen, die hun kleeren verwaarloozen en hun ouders minachten, vond hij 't stuitendst en 't malst van allemaal.
Het diepste van zijn wezen was een ingeboren onverschilligheid voor al het direct zienbare en tastbare, voor alles waarover anderen zich druk maakten omdat hij daarvan met den besten wil het belangrijke niet kon inzien. Daarom leek het hem even dwaas zich op rijkdom te verhoovaardigen als zich voor armoe te schamen en begreep hij niet, hoe volwassen lieden gewicht konden hechten aan iets als stand. Maar zijn onbewuste natuur was sterk naar het fijne en voorname geneigd. De bekrompenheid en de hoo-
'297